Omgevingsrecht

Voorlopige voorziening, Wabo, omgevingsvergunning voor renoveren van de tuin bij Buitenplaats Trompenburgh…

Rechtbank Midden-Nederland, 24 april 2025

Zaakgegevens

Op 24 april 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 april 2025
Datum publicatie
24 april 2025
Zaaknummer
25/2176
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:1948
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening, Wabo, omgevingsvergunning voor renoveren van de tuin bij Buitenplaats Trompenburgh. Uitvoering van de werkzaamheden waaronder het kappen van bomen start na afloop van het broedseizoen. Omdat dit nog ongeveer drie maanden duurt, is er op dit moment geen spoedeisend belang bij de beoordeling van het verzoek. Het verzoek is als kennelijk ongegrond afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2176


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2025 in de zaak tussen


Buurtstichting Mooi 's-Graveland, gevestigd in Wijdemeren, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder.

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

1. Stichting Monumentenbezit

(gemachtigde: mr. M. Niermeijer)

2. de raad van de gemeente Wijdemeren

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verleende omgevingsvergunning voor het renoveren van de tuin bij Buitenplaats Trompenburgh in ‘s Graveland.

2. Met het besluit van 13 februari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend aan Stichting Monumentenbezit (hierna: vergunninghoudster). Vergunninghoudster werkt sinds 2020 aan de restauratie van de buitenplaats met het doel deze beperkt open te stellen voor publiek. Onderdeel daarvan is de renovatie van de tuin die zoveel mogelijk wordt teruggebracht naar de situatie van de 17e eeuw. Daarvoor zullen onder meer 123 bomen worden gekapt. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Verzoekster wil met het verzoek voorkomen dat de 123 bomen worden gekapt, omdat de kap onomkeerbaar is en schade toebrengt aan de natuur, het landschap en de leefomgeving. Als gevolg van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening is de omgevingsvergunning niet in werking getreden en verzoekster wil dat de omgevingsvergunning geschorst blijft totdat op het beroep is beslist.

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

6. Vergunninghoudster heeft laten weten niet bereid te zijn te wachten met het uitvoeren van de werkzaamheden tot dat op het beroep is beslist. Zij heeft in een e-mail van 31 maart 2025 meegedeeld dat de werkzaamheden vanwege het broedseizoen niet eerder dan 15 juli kunnen starten, maar dat de werkzaamheden vermoedelijk pas in september 2025 zullen aanvangen omdat 15 juli kort voor de bouwvak is. Verzoekster heeft hierin geen aanleiding gezien om het verzoek in te trekken. Vervolgens heeft de griffier telefonisch navraag gedaan bij vergunninghoudster of de berichtgeving over de planning opgevat kan worden als een toezegging dat tot september 2025 geen gebruik wordt gemaakt van de omgevingsvergunning. Naar aanleiding van dat gesprek heeft vergunninghoudster laten weten dat het proces van het selecteren van de uitvoerend aannemer verder is dan eerder werd gedacht en dat direct na 15 juli zal worden gestart met de werkzaamheden.

7. Omdat vergunninghoudster pas over ongeveer drie maanden zal overgaan tot het kappen van de bomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar verzoek. Dit wordt anders als de startdatum van de werkzaamheden nadert. Verzoekster kan tegen die tijd een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2025.

(de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen)

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit volgt uit artikel 6, tweede en derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.