Omgevingsrecht
Beroep op betalingsonmacht afgewezen. Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht.
Rechtbank Midden-Nederland, 9 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3461 · Rechtbank Midden-Nederland · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3461
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 18 juni 2026
- Zaaknummer
- 25/1605
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3461
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep op betalingsonmacht afgewezen. Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1605
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M.J. W. Gorissen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van
14 januari 2025.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet aan de door de
wet gestelde vereisten voldoet om het beroep in behandeling te kunnen nemen. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 juli 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Met
het besluit van 21 september 2023 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet voldoet aan de voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
3. Met het besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit ) heeft het college het
bezwaar van eiser tegen het besluit van 21 september 2023 ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. et collegeHet college heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026, tegelijkertijd met een ander beroep
van eiser, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door mr. R. Verstappen.
Beoordeling door de rechtbank
6. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van de rechtbank
griffierecht geheven. De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van de nota dient te zijn betaald. Indien het bedrag niet tijdig is betaald, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. De niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
7. Eiser is per brief van 27 februari 2025 medegedeeld dat het griffierecht binnen vier
weken na dagtekening van de brief dient te zijn betaald. Eiser heeft per e-mail van 24 maart 2025 een beroep gedaan op betalingsonmacht en verzocht om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht. Het verzoek van eiser is bij brief van 29 augustus 2025 voorlopig toegewezen. In deze brief is eiser erop gewezen dat de rechter die het beroep behandelt definitief beslist of eiser griffierecht kan betalen. Op de zitting heeft de rechtbank op basis van de door eiser aangeleverde gegevens het verzoek om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht afgewezen, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn netto-inkomen lager is dan 95% van de maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande en hij ook geen vermogen heeft waaruit hij het griffierecht kan betalen. Eiser is op de zitting meegedeeld dat een nota griffierecht zal worden verzonden waarin hem een termijn van vier weken wordt gegeven om het griffierecht alsnog te betalen.
8. De rechtbank heeft eiser op 20 maart 2026 (nogmaals) een griffierechtnota gestuurd.
Omdat eiser niet binnen de gestelde termijn van vier weken het griffierecht heeft betaald is hem op 20 april 2026 aangetekend een herinnering verstuurd. Eiser heeft het griffierecht toen weer niet betaald. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet
inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.