Omgevingsrecht
Omgevingswet. Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa), dat zijn het bouwen van…
Rechtbank Midden-Nederland, 13 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4225 · Rechtbank Midden-Nederland · 13 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-4225
Zaakgegevens
Op 13 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 13 juli 2026
- Datum publicatie
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/4968 en UTR 26/5262
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4225
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Omgevingswet. Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa), dat zijn het bouwen van een nieuw bedrijfsgebouw, het aanleggen van een kavelpad en het verhogen van de milieucategorie. Aan het bestreden besluit kleeft een motiveringsgebrek dat in beroep is geheeld. De beroepsgronden over of sprake is van ‘gemengd gebied’ in de zin van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ en de vergunningsvoorschriften slagen niet. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven daarom in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4968 en UTR 25/5262
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaken tussen
1. [eiser sub 1] en
2. [eiser sub 2], uit [plaats] , (hierna gezamenlijk aangeduid als ‘eisers’)
(gemachtigde: mr. B.M. Kocken),
en
[vergunninghouder] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , (hierna aangeduid als ‘vergunninghouder’)
(gemachtigde: mr. T.P. Grünbauer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder (hierna aangeduid als ‘het college’)
(gemachtigde: mr. M.R. Buyse).
Eisers zijn eisende partij in de zaak met nummer UTR 25/4968. Vergunningshouders nemen aan die zaak deel als derde partij.
Vergunninghouder is eisende partij in de zaak met nummer UTR 25/5262. Eisers nemen aan die zaak deel als derde-partij.
Inleiding
Aan de [adres 1] in [vestigingsplaats] (het perceel) is het betonijzervlechtbedrijf van vergunninghouder gevestigd. Het bestaande bedrijfsgebouw van dit bedrijf is gesloopt en in de plaats daarvan bouwt vergunninghouder een nieuw bedrijfsgebouw. Hiervoor heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college. Deze aanvraag houdt ook het verzoek tot het toestaan van een hogere milieucategorie, namelijk categorie 3.1, in en ziet ook op de aanleg van een kavelpad aan de oostzijde van het nieuwe bedrijfsgebouw. Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten buitenplanse omgevingsplanactiviteit en een omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk.
Eisers wonen op het naastgelegen perceel aan de [adres 2] in [plaats] en zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij hebben hiertegen bezwaar gemaakt bij het college. Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de omgevingsvergunning met een aanvullende motivering in stand gelaten. Het college heeft met het bestreden besluit ook vijf extra voorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen. Vier ter borging van het woon- en leefklimaat en één over (toevals)vondsten van archeologische aard.
Eisers zijn het ondanks de aanvullende motivering en de extra voorschriften nog steeds niet eens met de omgevingsvergunning. Vergunninghouder is het niet eens met de extra voorschriften die in de omgevingsvergunning zijn opgenomen ter borging van het woon- en leefklimaat. Zij hebben beiden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepschriften gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 juli 2026 op zitting behandeld en heeft de zaken op de zitting gevoegd. Aan de zitting hebben deelgenomen:
- eisers en de gemachtigde van eisers;
-
namens vergunninghouder [A] en [B] , de gemachtigde van vergunninghouder, ir. [gemachtigde] – geluidsdeskundige bij [bedrijf] – en [C] – adviseur bij [bedrijf] B.V. –;
-
de gemachtigde van het college, hij werd vergezeld door zijn collega mr. E. Hilferink – jurist –.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank zal hierna eerst de beroepsgronden van eisers beoordelen en daarna de beroepsgrond van vergunninghouder.
Beroepsgronden van eisers
Is de omgevingsvergunning rechtsonzeker?
3. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning rechtsonzeker is, omdat er geen verbeelding bij is opgenomen waarop te zien is hoe de situatie van het kavelpad en de verschuiving van de bestemming ‘Agrarisch’ op het perceel wordt. Daarnaast past het gebruik van het kavelpad volgens eisers ook niet binnen de bestemming ‘Wonen’. Daarbij komt volgens eisers dat het kavelpad en de extra deur aan de oostzijde in het nieuwe bedrijfspand niet nodig zijn voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van vergunninghouder.
4. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze is door vergunninghouder ingediend. Dat is dus inclusief een tweede deur aan de oostzijde van het bedrijfspand. Dit hebben eisers op de zitting ook onderkend. Dat betekent dat het antwoord op de vraag of die deur nodig is, niet relevant is voor de beoordeling van deze aanvraag.
5. Op de zitting heeft het college erkend dat de omgevingsvergunning ook met de nadere motivering in het bestreden besluit rechtsonzeker is. Uit deze motivering blijkt volgens het college onvoldoende waarvoor deze is verleend.
6. Het college heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het kavelpad in zijn geheel in strijd is met het omgevingsplan en dan in het bijzonder met het bestemmingsplan ‘Tweede herziening bestemmingsplan Landelijk gebied’ (het bestemmingsplan) dat daar nog tijdelijk deel vanuit maakt. Het kavelpad heeft de functie om het bedrijfspand te ontsluiten. En dus wordt het kavelpad aangelegd ten dienste van de bestemming ‘Bedrijf‘. Maar het kavelpad wordt binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ gerealiseerd. Een kavelpad voor de ontsluiting van het bedrijfspand past niet binnen deze bestemmingen. Het college heeft deze strijdigheid van het kavelpad met het omgevingsplan vergund met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden geen bestemmingsvlakken gewijzigd en dus hoort hier ook geen verbeelding bij. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kavelpad sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. Nu op de zitting is gebleken dat partijen het er inmiddels over eens zijn dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en daarom rechtsonzeker is, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit motiveringsgebrek met de in het verweerschrift en op de zitting gegeven naderde motivering hersteld. De rechtbank is met het college en vergunninghouder van oordeel, dat uit de omgevingsvergunning duidelijk blijkt waar het kavelpad zal worden gerealiseerd en welke functie dit pad heeft. Het college heeft nu voldoende gemotiveerd dat hij voor het kavelpad een omgevingsvergunning heeft verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Van rechtsonzekerheid is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake meer. Daarom zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Welke gevolgen deze beslissing heeft, zal de rechtbank hierna toelichten onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’. Zij zal hieronder eerst ook de andere beroepsgronden beoordelen.
Is sprake van een ‘gemengd gebied’ in de zin van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’?
8. Eisers voeren aan dat er in de van de omgevingsvergunning onderdeel uitmakende ruimtelijke onderbouwing en het rapport ‘ [adres 1] te [vestigingsplaats] Akoestisch onderzoek’ van 15 mei 2024 van [bedrijf] (het rapport van [bedrijf] ), ten onrechte vanuit wordt gegaan dat het perceel in een ‘gemengd gebied’ in de zin van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ ligt. Volgens eisers maakt het perceel onderdeel uit van een ‘rustig woongebied’, omdat rondom het perceel feitelijk vooral woningen zijn gelegen.
9. Daar is de rechtbank het niet mee eens. In de brochure staat het volgende: “Onder een gemengd gebied met wonen kan tenslotte ook worden verstaan lintbebouwing in het buitengebied met een menging van wonen met agrarische en andere bedrijvigheid.” Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van. De rechtbank verwijst hierbij naar onderstaande uitsnede van de verbeelding bij het bestemmingsplan:
Afbeelding foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
10. Dat – zoals eisers op de zitting hebben aangevoerd – niet alle percelen met de bestemming ‘Bedrijf’ nog als bedrijf in gebruik zijn, maakt dit oordeel niet anders. Het perceel maakt duidelijk onderdeel uit van de lintbebouwing in het buitengebied en er is sprake van een menging met agrarische en andere bedrijvigheid. Het college heeft dus terecht vastgesteld dat hier sprake is van ‘gemengd gebied’ in de zin van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’.
Had het college ook een voorschrift over transportbewegingen met lichte bedrijfswagens en aanhangers in de omgevingsvergunning moeten opnemen?
11. Op de zitting hebben eisers hun laatste beroepsgrond uit het beroepschrift geherformuleerd. Zij voeren aan dat het college met het bestreden besluit weliswaar een voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden over het maximum aantal toegestane transportbewegingen met vrachtwagens, maar dat de meeste transportbewegingen van en naar het bedrijf plaatsvinden met bedrijfswagens (met aanhangers). Elke transportbeweging betekent volgens eisers dat er een deur zal worden geopend, waardoor het geluid van de werkzaamheden in het nieuwe bedrijfsgebouw daarbuiten hoorbaar wordt. De beroepsgrond richt zich dus niet tegen het geluid van aanrijdende en vertrekkende bedrijfswagens zelf, maar tegen het geluid vanuit het bedrijfsgebouw als de deur daarvan wordt geopend.
12. Het college en vergunninghouder hebben op de zitting geen bezwaar gemaakt tegen de herformulering van de beroepsgrond en konden inhoudelijk op deze gewijzigde beroepsgrond reageren. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met een goede procesorde door het pas op de zitting herformuleren van een beroepsgrond. Zij zal over de beroepsgrond zoals deze op de zitting is gewijzigd een oordeel geven.
13. Zoals vermeld onder 8, heeft [bedrijf] een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport dat daarvan is opgemaakt, maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Dit rapport is voordat de omgevingsvergunning werd verleend getoetst door de geluidsdeskundige van de omgevingsdienst en akkoord bevonden. In dit rapport is als uitgangspunt genomen dat de deur van het bedrijfspand één uur per dag geopend is. Uit de berekening die met dit uitgangspunt is gemaakt, volgt dat in dat geval bij de woning van eisers ruimschoots binnen de norm van het toegestane geluidsniveau wordt gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college afgaan op dit deskundigenrapport. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door eisers geen tegenrapport is overgelegd en dat zij de door de op de zitting aanwezige geluidsdeskundige gegeven toelichting niet gemotiveerd hebben weersproken. Dit betekent dat het college geen voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft hoeven te verbinden over het maximum aantal toegestane transportbewegingen van en naar het bedrijf van vergunninghouder met lichte bedrijfswagens en aanhangers.
Beroepsgrond van vergunninghouder
14. Vergunninghouder voert aan dat het college met het bestreden besluit ten onrechte in de bezwaarfase voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft toegevoegd. Uit het rapport van [bedrijf] blijkt dat deze voorschriften niet nodig zijn.
15. Het college is bevoegd om aan de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voorschriften te verbinden ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat. De door het college met het bestreden besluit aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn in overeenstemming met de uitkomsten in het rapport van [bedrijf] . Uit wat vergunninghouder aanvoert volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het college de voorschriften niet in de omgevingsvergunning had mogen opnemen. De rechtbank zal het beroep van vergunninghouder ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep van eisers is gegrond, omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat het college dit gebrek met de aanvullende motivering in het verweerschrift en op de zitting heeft hersteld. Het beroep van vergunninghouder is ongegrond.
17. Dit betekent dat vergunninghouder conform de aan haar verleende omgevingsvergunning – inclusief de daaraan met het bestreden besluit verbonden voorschriften – het nieuwe bedrijfsgebouw mag bouwen, het kavelpad aan de oostzijde van het nieuwe bedrijfsgebouw mag aanleggen en dit na de realisatie voor het bedrijf in de milieucategorie categorie 3.1 mag gebruiken.
18. Omdat de beroep van eisers gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
19. Omdat het beroep van vergunninghouder ongegrond is, krijgt zij het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers met zaaknummer UTR 25/4968 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep van vergunninghouder met zaaknummer UTR 25/5262 ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.