Omgevingsrecht
MK. Heropeningsbeslissing i.v.m. onvolledig onderzoek.
Rechtbank Midden-Nederland, 24 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3338 · Rechtbank Midden-Nederland · 24 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3338
Zaakgegevens
Op 24 februari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 24 februari 2026
- Datum publicatie
- 16 juni 2026
- Zaaknummer
- UTR 24/7716
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3338
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
MK. Heropeningsbeslissing i.v.m. onvolledig onderzoek.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7716
heropening van het onderzoek in de zaak tussen
Stichting De Faunabescherming, gevestigd in Amstelveen, eiseres
(gemachtigde: mr. L. Mohammad),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Bassie).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: de Faunabeheereenheid Flevoland gevestigd in Lelystad, de Wildbeheereenheid Zuidelijk Flevoland uit Vaassen, de Wildbeheereenheid Noordoostpolder uit Espel en de Wildbeheereenheid Oostelijk Flevoland uit Dronten.
Partijen worden in deze uitspraak eiseres, gedeputeerde staten, de Faunabeheereenheid en de Wildbeheereenheden genoemd.
Overwegingen
1. Het beroep van eiseres is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in Lelystad. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek in deze procedure niet volledig geweest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
2. Met de brief van 12 december 2025 hebben de Wildbeheereenheden de rechtbank verzocht om als partij aan deze procedure deel te nemen. Vervolgens heeft de rechtbank de Wildbeheereenheden als derde-partij toegelaten en hen op 12 januari 2026 een afschrift van het volledige dossier toegezonden. Daarin zat ook de uitnodiging voor de zitting van 5 februari 2026 die door de rechtbank op 17 december 2025 aan de reeds deelnemende partijen is verzonden. De Wildbeheereenheden werden daarmee verondersteld op de hoogte te zijn van de zittingsdatum. De rechtbank heeft de Wildbeheereenheden per abuis niet apart uitgenodigd voor de zitting van 5 februari 2026. De Wildbeheereenheden waren niet aanwezig ter zitting.
3. Met de brief van 5 februari 2026 hebben de Wildbeheereenheden schriftelijk gereageerd op het procesdossier. De rechtbank ziet in deze schriftelijke reactie van de Wildbeheereenheden en in het feit dat zij door de rechtbank niet afzonderlijk als derde-partij zijn uitgenodigd voor de behandeling ter zitting op 5 februari 2026, aanleiding om het onderzoek in deze zaak te heropenen. De rechtbank zal de hiervoor genoemde brief van 5 februari 2026 aan het procesdossier toevoegen.
4. De rechtbank stelt eiseres, gedeputeerde staten en de Faunabeheereenheid in de gelegenheid om binnen twee weken na dagtekening van deze heropeningsbeslissing op het schriftelijke standpunt van de Wildbeheereenheden te reageren. Het schriftelijke standpunt van de Wildbeheereenheden van 5 februari 2026 is als bijlage bij deze heropeningsbeslissing gevoegd.
5. Na afloop van deze termijn zal de rechtbank partijen vragen om toestemming voor het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting. De rechtbank ziet daarbij op voorhand geen aanleiding voor een nadere zitting in deze zaak.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- bepaalt dat eiseres, gedeputeerde staten en de Faunabeheereenheid de gelegenheid hebben om binnen twee weken na dagtekening van deze heropeningsbeslissing te reageren op het schriftelijke standpunt van de Wildbeheereenheden van 5 februari 2026.
Deze beslissing is gegeven op 24 februari 2026 door mr. V.E.H.G. Visser, voorzitter, en mr. J. Wolbrink en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op: