Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig omgevingsrecht

ECLI:NL:RBOVE:2026:1652

Op 17 March 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van omgevingsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ak_25_1559, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:1652. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
ak_25_1559
Datum uitspraak:
17 March 2026
Datum publicatie:
30 March 2026

Indicatie

Omgevingswet. Verlening omgevingsvergunning voor het verbouwen van een rijksmonument. Verweerder heeft zich op basis van de uitgebrachte adviezen op het standpunt kunnen stellen dat het vergunde bouwplan in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. Niet kan worden gezegd dat de omgevingsvergunning op basis van een onjuiste of onvolledige belangenafweging is verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor het vergunde bouwplan een alternatief bestaat waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren voor eiser en/of het rijksmonument. Ook is niet gebleken dat de commissie die over het bouwplan heeft geadviseerd niet onafhankelijk was.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1559

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers ( [eiser 1] , in enkelvoud),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder (het college).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2], uit [woonplaats 2] ( [derde belanghebbende 1] , in enkelvoud),

gemachtigde: mr. K. Mulder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college aan [derde belanghebbende 1] heeft verleend voor het verbouwen van zijn woning. Die woning is een rijksmonument. Het gaat in deze zaak vooral om de opbouw die [derde belanghebbende 1] op de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning wil realiseren om de woning rolstoeltoegankelijker te maken voor zijn dochter. [eiser 1] is het niet eens met de omvang van die opbouw. Ook vindt hij dat op de opbouw geen balkon moet worden gerealiseerd. Hij stelt dat het college bij het besluit om de vergunning te verlenen een onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt en dat er minder bezwarende alternatieven zijn voor het nu vergunde bouwplan. Ook vindt [eiser 1] dat de commissie van Het Oversticht, die over het bouwplan heeft geadviseerd, bij het uitbrengen van dat advies niet meer onafhankelijk was. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich op basis van de uitgebrachte adviezen op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vergunde bouwplan in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg en dat niet kan worden gezegd dat de omgevingsvergunning op basis van een onjuiste of onvolledige belangenafweging is verleend. Verder heeft [eiser 1] niet aannemelijk gemaakt dat voor het bouwplan waarvoor nu vergunning is verleend een alternatief bouwplan bestaat waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren voor [eiser 1] en/of het rijksmonument. Ook is niet gebleken dat de commissie die over het bouwplan heeft geadviseerd niet onafhankelijk was. Het beroep slaagt niet.

Procesverloop

Aanleiding: feiten en procesverloop
2.1

[derde belanghebbende 1] woont in de woning aan de [adres 1] (hierna: de woning). Dit is een rijksmonument.

2.2

[derde belanghebbende 1] heeft een meervoudig gehandicapte dochter van 16 jaar. Haar medische situatie is progressief; haar situatie verergert met de tijd en zij wordt meer en meer hulpbehoevend.

2.3

[eiser 1] woont aan de westelijke zijde naast de woning, op het adres [adres 2] . Deze woning is een gemeentelijk monument. [eiser 1] heeft deze woning in 2015 gekocht.

2.4

Op 15 juli 2024 heeft [derde belanghebbende 1] bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verduurzamen en uitbouwen van de woning. Uit de aanvraag blijkt dat [derde belanghebbende 1] op de eerste verdieping, aan de achterzijde van de woning een opbouw wil realiseren. Op de plaats van de beoogde opbouw bevindt zich nu een balkon. Door de realisatie van de opbouw kunnen voor de dochter een lift en een badkamer met de voor haar benodigde voorzieningen worden gecreëerd. [derde belanghebbende 1] wil een zelfstandig bereikbare, rolstoeltoegankelijke ruimte (slaapkamer en badkamer) creëren op de eerste verdieping van de woning. Daarnaast ziet het bouwplan onder meer op het verduurzamen van de buitenschil van de woning.

2.5

[derde belanghebbende 1] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwactiviteit (zowel omgevingsplanactiviteit als technisch) en een rijksmonumenten-activiteit. Dat betreft activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, artikel 5.1, tweede lid, onder a, en artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet (Ow).

2.6

Bij primair besluit van 2 december 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning aan [derde belanghebbende 1] verleend.

2.7

Tegen dit besluit heeft [eiser 1] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met aanvulling van de motivering van dat besluit en met toevoeging van een extra voorschrift en twee bijlagen daaraan. Eén van deze bijlagen betreft een bouwtekening van 3 maart 2025. In het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat die bouwtekening in de plaats komt van de bouwtekening van 25 september 2024 (bijlage 3 van de stukken bij de omgevingsvergunning).

2.8

[eiser 1] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.9

[derde belanghebbende 1] heeft op 19 januari 2026 een reactie op het beroep ingediend.

2.10

[eiser 1] heeft op 22 januari 2026 nog aanvullende (geanonimiseerde) stukken ingediend. Een aantal van deze stukken heeft [eiser 1] via een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van het college ontvangen.

2.11

Het college heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift ingediend.

2.12

De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] waren ook bij de zitting aanwezig, bijgestaan door mr. K. Mulder.

2.13

Ter zitting is de mogelijkheid besproken dat het college alsnog, met een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de niet-geanonimiseerde versie van de volgende stukken bij de rechtbank zou indienen:

het advies van de Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle van Het Oversticht (hierna: Het Oversticht) van 9 oktober 2024;

het advies van het team Monumentenzorg van de afdeling Erfgoed van de gemeente Zwolle (hierna: het team Monumentenzorg) van 10 oktober 2024; en

de e-mailcorrespondenties die als bijlagen 1, 2 en 3 bij de pleitnota van [eiser 1] zijn gevoegd.

2.14

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek in deze zaak gesloten. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat zij na de zitting zou beslissen of zij het nodig acht dat het college alsnog de niet-geanonimiseerde stukken zou indienen. Voor het geval dat het college die stukken zou indienen met een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, heeft [eiser 1] ter zitting de rechtbank al toestemming gegeven om die bij het dossier te betrekken en mede op basis van die stukken uitspraak te doen. [derde belanghebbende 1] heeft daartegen niet geprotesteerd.

2.15

Per brief van 6 februari 2026 heeft de rechtbank het college gevraagd om de in overweging 2.13 genoemde stukken in te dienen. Dat heeft het college gedaan, met een beroep op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank heeft de stukken vervolgens niet doorgestuurd naar [eiser 1] en [derde belanghebbende 1] . De rechtbank zal de stukken bij de beoordeling van deze zaak betrekken en mede op basis daarvan uitspraak doen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Goede procesorde

3.1

[eiser 1] heeft ter zitting een uitgebreide pleitnota voorgedragen. In die pleitnota heeft hij allereerst aangevoerd dat de reactie van [derde belanghebbende 1] op het beroep en het verweerschrift van het college te laat zijn ingediend en daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens [eiser 1] hebben het college en [derde belanghebbende 1] in het verweerschrift en de reactie op het beroep meerdere nieuwe standpunten en verweren naar voren gebracht. Ook heeft hij gesteld dat hem door de late indiening van het verweerschrift en de reactie van [derde belanghebbende 1] de mogelijkheid is ontnomen om nog deskundig tegenadvies en/of ander (schriftelijk) tegenbewijs te verkrijgen en in te dienen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [eiser 1] gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1669.

3.2

Het college heeft ter zitting gesteld dat [eiser 1] de stukken die hij via het Woo-verzoek heeft verkregen dusdanig kort voor de zitting heeft ingediend, dat dat in strijd met de goede procesorde is.

3.3

Zoals de rechtbank ter zitting ook al aan partijen heeft meegedeeld, ziet zij geen reden om één of meerdere van de ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Daarbij merkt de rechtbank op dat artikel 8:42 van de Awb, waarnaar [eiser 1] heeft verwezen, een termijn van orde bevat. Daarnaast geldt voor alle stukken dat die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, zodat is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:58 van de Awb. De Woo-stukken die [eiser 1] op 22 januari 2026 heeft ingediend waren al bij het college en [derde belanghebbende 1] bekend of hadden dat kunnen zijn. De rechtbank ziet in ieder geval geen reden om te oordelen dat zij niet in staat waren om daarop op de zitting voldoende te reageren. Verder zijn het verweerschrift van het college en de reactie op het beroep van [derde belanghebbende 1] niet zeer omvangrijk en wordt daarin voornamelijk op de beroepsgronden van [eiser 1] gereageerd. Ook ten aanzien van die stukken ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat [eiser 1] daarop niet meer adequaat kon reageren. Integendeel, in de pleitnota die hij ter zitting heeft voorgedragen heeft hij uitgebreid op die stukken gereageerd. De stelling van [eiser 1] dat het verweerschrift van het college en de reactie van [derde belanghebbende 1] veel nieuwe argumenten en verweren bevatten, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Verder volgt de rechtbank [eiser 1] ook niet in zijn stelling dat hij door de late indiening van het verweerschrift niet meer de mogelijkheid had om - onder meer - deskundig tegenadvies in te winnen. Die mogelijkheid staat namelijk los van het moment waarop andere partijen een verweerschrift of anderszins een reactie op het beroep indienen. Uit het primaire besluit en het bestreden besluit blijkt duidelijk welke standpunten en adviezen daaraan ten grondslag liggen en [eiser 1] heeft ruimschoots de tijd gehad om, als hij dat had gewild, daarover deskundig tegenadvies in te winnen of anderszins schriftelijk tegenbewijs te verzamelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om één of meerdere stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Dat sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM, zoals [eiser 1] heeft gesteld, is de rechtbank ook niet gebleken.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep

4.1

[eiser 1] vreest dat de opbouw waarvoor nu een omgevingsvergunning is verleend veel (en onrechtmatige) hinder zal veroorzaken, met name doordat als gevolg van die opbouw een omvangrijke muur zijn balkon grotendeels in de schaduw zal stellen. [eiser 1] gebruikt dit balkon als verlengstuk van de tuin en als groentetuin(tje) en hij vreest dat de opbouw grote invloed zal hebben op dit gebruik. Daarnaast zal er volgens [eiser 1] door de (muur van de) opbouw weinig tot geen zonlicht meer in de naast de voorgenomen opbouw gelegen slaapkamer komen. Ook zal de opbouw volgens [eiser 1] het rijksmonument onnodig aantasten. Hij heeft tegen de verlening van de omgevingsvergunning meerdere beroepsgronden aangevoerd, die de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak afzonderlijk zal bespreken en beoordelen.

4.2

Daaraan voorafgaand stelt de rechtbank allereerst vast dat het perceel van [derde belanghebbende 1] volgens het bestemmingsplan ‘ [locatie] ’, dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Zwolle, de bestemming ‘Wonen’ heeft. Niet in geschil is dat het bouwplan binnen deze bestemming is toegestaan en dat het bouwplan niet in strijd is met enige bepaling uit het Omgevingsplan.

4.3

De voor deze zaak relevante regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Belangenafweging

5.1

[eiser 1] heeft aangevoerd dat het college in het bestreden besluit geen juiste of volledige belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij heeft hij erkend dat er vanwege het limitatief-imperatieve toetsingskader voor de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit en de (technische) bouwactiviteit geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Bij de verlening van de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit moet echter wel een belangenafweging worden gemaakt. [eiser 1] is van mening dat het college bij die afweging de historische waarde van de omgeving en de monumentale waarden van de omliggende panden onvoldoende heeft meegewogen. De vergunde opbouw zorgt namelijk voor een grote mate van ontsiering en tast het historisch aangezicht van de achtergevel van de woning alsook die van de woningen naast de woning ernstig aan. Daarbij heeft [eiser 1] gewezen op het bepaalde in artikel 8.80, tweede lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

5.2

De rechtbank overweegt dat artikel 8.80 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg en dat bij de beslissing daarover rekening wordt gehouden met de beginselen die in het tweede lid van dat artikel staan. Zoals [eiser 1] heeft erkend, betekent dit dat de belangenafweging die op basis van een vergunningaanvraag voor een rijksmonumentenactiviteit moet worden gemaakt is gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het monument en de monumentale waarden. De rechtbank stelt vast dat het college de beslissing om de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit te verlenen heeft gebaseerd op de adviezen van Het Oversticht en het team Monumentenzorg van 9 en 10 oktober 2024. Het Oversticht heeft geconcludeerd dat het vergunde bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden en niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het team Monumentenzorg heeft geconcludeerd dat er door het bouwplan geen belangrijke cultuurhistorische waarden verdwijnen.

5.3

Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het college zich mag baseren op een advies van een monumentencommissie, tenzij dit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat het college daarop niet had mogen afgaan. Het college mag op het advies afgaan, nadat het is nagegaan of dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een monumentenadvies behoeft, net als het overnemen van een welstandsadvies, in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de betrokkene een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. (Voetnoot 1)

5.4

De rechtbank ziet in wat [eiser 1] heeft aangevoerd geen reden om te oordelen dat het college niet mocht uitgaan van de uitgebrachte (deskundigen-)adviezen. [eiser 1] heeft die adviezen inhoudelijk niet concreet bestreden. Voor zover hij heeft betoogd dat het college de adviezen niet had mogen volgen, omdat daarin onvoldoende rekening is gehouden met andere monumentale waarden in de omgeving, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Ook heeft [eiser 1] geen deskundig tegenadvies overgelegd, dat aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de adviezen van Het Oversticht en het team Monumentenzorg. Voor zover [eiser 1] stelt dat hij te weinig tijd heeft gehad om een dergelijk tegenadvies te laten opstellen, volgt de rechtbank dat niet. Al uit het primaire besluit blijkt dat de verlening van de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit is gebaseerd op de adviezen van 9 en 10 oktober 2024. Als [eiser 1] die adviezen met een deskundig tegenadvies had willen betwisten, heeft hij ruimschoots de tijd gehad om daarvoor iemand in te schakelen.

5.5

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich op basis van de adviezen van 9 en 10 oktober 2024 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vergunde bouwplan in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de rijksmonumentenactiviteit dan ook terecht verleend. Gelet op het van toepassing zijnde toetsingskader, kan de hinder die [eiser 1] van het bouwplan vreest te ondervinden niet tot de conclusie leiden dat de vergunning op basis van een onjuiste of onvolledige belangenafweging is verleend. Voor zover [eiser 1] heeft betoogd dat de omgevingsvergunning, ondanks het van toepassing zijnde toetsingskader, toch moest worden geweigerd vanwege de gevolgen die het bouwplan voor hem heeft, volgt de rechtbank dat niet. Wat [eiser 1] heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de verlening van de omgevingsvergunning zo onevenredig is met het doel en de strekking van de relevante bepalingen uit de Ow, dat die bepalingen niet zouden mogen worden toegepast. (Voetnoot 2) Daarbij merkt de rechtbank nog op dat [eiser 1] ter zitting heeft verklaard dat wat hij over de belangenafweging heeft aangevoerd met name moet worden bezien in het kader van de vraag of er minder bezwarende alternatieven voor het bouwplan zijn.

5.6

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Minder bezwarende alternatieven

6.1

Volgens [eiser 1] zijn voor het bouwplan waarvoor nu vergunning is verleend alternatieve bouwplannen mogelijk, die voor [derde belanghebbende 1] een beter resultaat opleveren en voor zowel [eiser 1] als het rijksmonument minder bezwarend zijn. Volgens [eiser 1] heeft hij in zijn bezwaarschrift dergelijke alternatieve bouwplannen aangedragen. Zo’n alternatief bouwplan is bijvoorbeeld om op de eerste verdieping alleen een uitbouw te realiseren voor de personenlift en niet een opbouw over de gehele breedte van de gevel. Daarbij zou volgens hem nog steeds kunnen worden voorzien in een vergroting van de huidige badkamer, waardoor in de badkamer met een rolstoel een draaicirkel van 1,5 meter kan worden gemaakt. Ook het niet realiseren van een balkon op de opbouw zou volgens [eiser 1] een minimaal gelijkwaardig resultaat opleveren, terwijl dat voor hem minder overlast zou opleveren. Volgens [eiser 1] is het college in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op de door hem beschreven alternatieven en heeft het college ten onrechte niet gemotiveerd waarom die alternatieven niet zouden leiden tot een gelijkwaardig of beter resultaat. Hij is van mening dat de door hem aangedragen alternatieven enerzijds leiden tot minder ontsiering van het rijksmonument en anderzijds een betere indeling van de eerste verdieping bevatten, gelet op de richtlijnen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving voor bewoning door mindervalide personen. Ook leiden de aangedragen alternatieven volgens [eiser 1] voor hem tot minder (onrechtmatige) hinder, omdat die minder schaduwwerking en verlies aan daglicht tot gevolg hebben. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser 1] een bezonningsstudie overgelegd.

6.2

De rechtbank overweegt dat het college diende te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dat betekent onder meer dat, als een activiteit op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. (Voetnoot 3)

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser 1] daar niet in geslaagd. Het door hem voorgestelde alternatieve bouwplan, bestaande uit een uitbouw op de eerste verdieping van het pand voor alleen een personenlift, bevat minder vierkante meters dan de opbouw waarvoor nu een vergunning is verleend. Alleen al om die reden kan niet worden gezegd dat met dat alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald. Bovendien heeft [eiser 1] in zijn bezwaarschrift zelf al aangegeven dat [derde belanghebbende 1] op enig moment met medewerkers van de gemeente heeft gesproken over een bouwplan voor alleen een uitbouw voor een personenlift, maar dat is gebleken dat dat plan niet door de toets van de welstandcommissie zou komen. Ook daaruit blijkt dat niet op voorhand duidelijk is dat het door [eiser 1] aangedragen alternatief gelijkwaardig is aan het nu vergunde bouwplan. Verder behoeft het naar het oordeel van de rechtbank geen nadere uitleg dat het realiseren van een opbouw zonder balkon voor [derde belanghebbende 1] niet gelijkwaardig is aan een opbouw mét balkon. Er is dan ook niet gebleken dat voor het nu vergunde bouwplan een alternatief bouwplan bestaat waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren voor [eiser 1] en/of het rijksmonument. Hieruit volgt dat het college terecht heeft besloten op de aanvraag zoals die is ingediend (met inbegrip van de bouwtekening van 3 maart 2025) en dat besluit terecht heeft gehandhaafd. Voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd ziet de rechtbank geen aanleiding. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De onafhankelijkheid van Het Oversticht en/of het team Monumentenzorg

7.1

[eiser 1] heeft aangevoerd dat de adviezen van Het Oversticht en het team Monumentenzorg niet onafhankelijk tot stand zijn gekomen. Leden van Het Oversticht en het team Monumentenzorg hebben de adviseur van [derde belanghebbende 1] namelijk geholpen bij de totstandkoming van de bouwplannen. Die leden waren daarom volgens [eiser 1] niet meer onbevooroordeeld bij het uitbrengen van advies over die plannen en niet is voldaan aan de voorwaarden voor onafhankelijkheid, zoals die zijn opgenomen in de Handreiking Adviesstelsel Omgevingskwaliteit. Daarbij heeft [eiser 1] onder meer gewezen op e-mailcorrespondentie die is gevoerd over het opnemen van het balkon op de opbouw. Ook heeft hij ter onderbouwing van deze beroepsgrond meerdere (geanonimiseerde) e-mails uit mei 2024 en één e-mailbericht van 3 september 2024 overgelegd (producties 1, 2 en 3 bij de pleitnota). Volgens [eiser 1] blijkt uit de e-mailberichten dat zowel door het team Monumentenzorg als door een architect van Het Oversticht actief is mee-geschetst en mee-ontworpen aan de bouwplannen. Daarom moet het bestreden besluit volgens [eiser 1] worden vernietigd en moet het bouwplan opnieuw worden beoordeeld, door een andere adviescommissie die wel objectief en onafhankelijk is.

7.2

De rechtbank overweegt allereerst het volgende over de samenstelling en de werkwijze van de commissie.

Het is de rechtbank gebleken dat vanuit de medewerkers van Het Oversticht een selectie is benoemd door de gemeente Zwolle en dat die personen de “Zwolse” commissie van Het Oversticht vormen. In zijn pleitnotitie heeft [eiser 1] de bemensing van de commissie vermeld. Daaruit blijkt dat de commissie bestaat uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter, twee secretarissen en een plaatsvervangend secretaris en vier adviseurs, waarvan er in elk geval drie architect zijn. Voorts is de rechtbank gebleken dat op de site van Het Oversticht op de pagina “welstandsadvies” wordt vermeld: “Vooroverleg in een vroeg stadium van de planontwikkeling werkt beter dan toetsing achteraf. De stadsbouwmeesters en secretarissen van de commissie houden daarom regelmatig spreekuur in de gemeente en werken mee in kwaliteitsteams.”.

7.3

Met betrekking tot de e-mails waarnaar [eiser 1] heeft verwezen en de conclusies die hij daaraan heeft verbonden, overweegt de rechtbank het volgende.

Allereerst merkt de rechtbank op dat de gemachtigde van het college ter zitting reeds heeft verklaard dat, voor zover het de medewerkers van Het Oversticht betreft die aan de betreffende e-mailcorrespondentie hebben deelgenomen, zij secretarissen van de commissie van Het Oversticht zijn. De rechtbank ziet dat bevestigd in de alsnog onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken.

Onderdeel van de door [eiser 1] overgelegde e-mailcorrespondentie zijn twee e-mails van

16 mei 2024 van medewerkers van de gemeente Zwolle. De eerste is een e-mail van een medewerker van de gemeente, verzonden om 12:00 uur, die is gericht aan andere medewerkers van de gemeente en aan één van de secretarissen van Het Oversticht. In deze e-mail schrijft de betreffende medewerker van de gemeente dat deze met de adviseur van [derde belanghebbende 1] heeft afgesproken dat ‘we proberen even wat aan te leveren aan hem om hem op weg te helpen’. Bij de e-mail van 12:00 uur is een schets gevoegd en de medewerker vraagt aan diens collega en de secretaris van Het Oversticht om ‘voor dit specifieke geval’ input te leveren. In reactie op deze e-mail antwoordt de collega van deze medewerker in een e-mail die om 13:59 uur is verzonden dat het niet goed lijkt om in dit soort gevallen zelf te gaan ontwerpen. Deze vraagt in die e-mail aan de secretaris van Het Oversticht of de adviseur van [derde belanghebbende 1] contact kan opnemen. De secretaris antwoordt dat dat kan. Uit de overige e-mails die [eiser 1] heeft overgelegd blijkt dat de adviseur van [derde belanghebbende 1] enkele opties voor varianten van het bouwplan aan de secretaris van Het Oversticht heeft voorgelegd. Uiteindelijk is daar een voorkeursvariant uit gekomen.

7.4

De rechtbank ziet in wat [eiser 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van Het Oversticht onzorgvuldig en niet-onafhankelijk tot stand is gekomen. De rechtbank stelt vast dat in het kader van regulier “spreekuuroverleg” en “vooroverleg” met secretarissen van de commissie er contact is geweest tussen de adviseur van [derde belanghebbende 1] en die secretarissen van de commissie. Dat daarvan sprake is geweest leidt de rechtbank ook af uit de tekst en de data van de e-mails in relatie tot de datum van de aanvraag omgevingsvergunning. Verder is de rechtbank niet gebleken dat de secretarissen ongevraagd hun reactie hebben gegeven op de plannen maar daarnaar zijn gevraagd, wat het kader van een “spreekuuroverleg” voor de rechtbank bevestigt. Dat in dat verband door een secretaris een voorkeursvariant is genoemd past ook in dat kader. Uit dat enkele feit kan niet worden afgeleid dat daarmee de onafhankelijke advisering van de commissie in het gedrang is gekomen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de commissie in haar samenstelling onderscheid maakt tussen adviseurs (architecten) en secretarissen. Zonder nadere onderbouwing volgt de rechtbank daarom de aanname van [eiser 1] niet, nu niet is gebleken dat ook de secretarissen tevens de rol van adviseur hebben uitgeoefend bij de totstandkoming van het advies van Het Oversticht van 9 oktober 2024.

7.5

Verder blijkt uit het advies van 9 oktober 2024 dat Het Oversticht het bouwplan heeft getoetst aan de van toepassing zijnde criteria en heeft gemotiveerd waarom het plan aan die criteria voldoet. De rechtbank ziet niet in waarom het college dat advies niet heeft mogen volgen. Datzelfde geldt voor het advies van het team Monumentenzorg van

10 oktober 2024. Uit de overgelegde e-mails kan niet worden afgeleid dat medewerkers van het team Monumentenzorg dermate invloed hebben gehad op het bouwplan dat zij daarover niet onafhankelijk hebben kunnen adviseren. Niet gebleken is dat dat advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Daarbij heeft de e-mail van 3 september 2024 van de adviseur van [derde belanghebbende 1] aan een lid van het team Monumentenzorg (deze e-mail bevindt zich ongelakt in het dossier bij bijlage 6.32 bij het beroepschrift) het karakter van een nadere onderbouwing/toelichting van/op het ingediende bouwplan.

7.6

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Overige beroepsgronden

8.1

[eiser 1] heeft uitvoerig betoogd dat hij graag met [derde belanghebbende 1] in gesprek zou gaan en in onderling overleg tot een oplossing zou willen komen. Het lukt echter niet meer om met elkaar in gesprek te komen en [eiser 1] heeft de indruk dat [derde belanghebbende 1] dat ook niet meer wil en geen rekening meer wil houden met de belangen van [eiser 1] .

8.2

Wat hier verder ook van zij, deze beroepsgrond kan niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. [eiser 1] heeft in zijn pleitnota zelf al erkend dat de vraag in hoeverre in dit geval aan participatie is gedaan, niet relevant is voor de verlening van de omgevingsvergunning. (Voetnoot 4) Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

9. Verder heeft [eiser 1] in zijn beroepschrift verwezen naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd en in zijn zienswijze van 1 augustus 2024. Daarover overweegt de rechtbank dat het college in het primaire besluit en in het bestreden besluit op die gronden is ingegaan en heeft gemotiveerd waarom die gronden niet tot de conclusie leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning niet kan worden verleend. Het is aan [eiser 1] om concreet aan te geven op welke punten en waarom die motivering van het college niet deugdelijk zou zijn. Een enkele verwijzing naar de eerder aangevoerde gronden kan er niet toe leiden dat de rechtbank die gronden in deze procedure ook beoordeelt.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat [eiser 1] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser 1] krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. V.P.K. van Rosmalen en mr. W.J.B. Cornelissen, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 4.3

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:

a. bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken,

(…).

Artikel 5.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

een omgevingsplanactiviteit,

een rijksmonumentenactiviteit,

(…)

2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteit te verrichten:

a. een bouwactiviteit,

(…)

Artikel 5.18

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.

2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.

(…)

Artikel 5.20

1. Voor een bouwactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op:

het waarborgen van de veiligheid,

het beschermen van de gezondheid,

duurzaamheid en bruikbaarheid.

2. De regels strekken ertoe dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels over bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, of daarover gestelde maatwerkregels, voor zover die regels betrekking hebben op de kwaliteit van bouwwerken.

Artikel 5.21

1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:

a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,

(…)

Artikel 5.22

Voor een rijksmonumentenactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed en in dat kader tot:

het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van monumenten en archeologische monumenten,

het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden,

het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

(…)

Artikel 8.3b

(…)

2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 8.80

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een rijksmonumentenactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening wordt gehouden met de volgende beginselen:

het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten;

het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;

het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en

het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Omgevingsplan gemeente Zwolle

Artikel 22.26

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.29

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;

het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

(…)

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie bijvoorbeeld dat uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2726, rechtsoverwegingen 5.5 en 5.9.

Voetnoot 2

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, over de toetsing van gebonden beschikkingen aan het evenredigheidsbeginsel.

Voetnoot 3

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559, rechtsoverwegingen 7.3 en 7.4.

Voetnoot 4

Zie randnummer 50 van de pleitnota.