Socialezekerheidsrecht

Beroep tegen beëindiging betalingsregeling. Beroep ongegrond.

Rechtbank Midden-Nederland, 9 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
9 oktober 2020
Datum publicatie
13 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 20/1790
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:4357
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen beëindiging betalingsregeling. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1790

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.J. van der Have),

en

het college van burgermeester en wethouders van Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J.M. Hendriks).

Inleiding en procesverloop

Eiser heeft een schuld aan verweerder. Eiser lost hierop maandelijks € 10,- af. Daarnaast

ontvangt eiser een AOW-uitkering.

Verweerder heeft vastgesteld dat eiser de betalingsregeling niet heeft nagekomen. Om die

reden heeft verweerder bij besluit van 3 december 2019 (het primaire besluit) de

betalingsregeling ingetrokken en bepaald dat verweerder voortaan maandelijks een

verrekening zal toepassen op de AOW-uitkering van eiser. Dit houdt in dat verweerder op

die uitkering maandelijks een bedrag inhoudt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar

ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op

13 augustus 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te bieden om tot een vergelijk te komen. Het onderzoek is op 21 september 2020 hervat. Partijen hebben toen meegedeeld dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. Zij hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de betalingsverplichting in feite wel is nagekomen. Tussen partijen heeft namelijk een verrekening plaatsgevonden van een ander bedrag. Deze verrekening overstijgt het bedrag dat eiser uit hoofde van de betalingsregeling nog diende af te lossen. Volgens eiser is er voor verweerder dus geen aanleiding is geweest om de betalingsregeling in te trekken en tot verrekening met zijn AOW-uitkering over te gaan. Verder betoogt eiser dat verweerder de betalingsregeling alleen met inachtneming van de regels van het burgerlijk recht heeft kunnen beëindigen. Aangezien verweerder de regels niet in acht heeft genomen, is het besluit in zoverre gebrekkig tot stand gekomen.

2. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser over verschillende maanden in 2018 en 2019 zijn verplichting tot aflossing op grond van de betalingsregeling met verweerder niet is nagekomen. Dit verzuim wordt niet gecompenseerd door de omstandigheid dat er tussen eiser en verweerder een verrekening van een ander bedrag heeft plaatsgevonden. Het feit blijft namelijk dat eiser zijn aflossingsverplichting op grond van de betalingsregeling met verweerder niet is nagekomen. Naar aanleiding van dit verzuim van eiser heeft verweerder de bevoegdheid gehad om op grond van artikel 4:96, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de betalingsregeling in te trekken. Hierbij spelen regels van het burgerlijk recht geen rol.

3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Voor een proceskostenveroordeling is een aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 9 oktober 2020.

de griffier is niet in de gelegenheid de rechter is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.