Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 5 februari 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:424 · Rechtbank Midden-Nederland · 5 februari 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2021-424
Zaakgegevens
Op 5 februari 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 5 februari 2021
- Datum publicatie
- 9 februari 2021
- Zaaknummer
- 20/843
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:424
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
pkv
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/843
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2021 in de zaak tussen
[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 22 december 2020 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 7 augustus 2019 een besluit genomen. Verweerder heeft het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit op 10 januari 2020 ongegrond verklaard. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 11 september 2020 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om de in het dossier ontbrekende stukken bij de rechtbank in te dienen. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk te laten reageren op te ingediende stukken. Vervolgens heeft verweerder op 1 december 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van 11 maart 2020 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Bij brief van 22 december 2020 heeft verweerder aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
5. De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster.
6. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 2.136,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1).
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,00 te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.136,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt via publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.