Socialezekerheidsrecht

Voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Geen beroep ingesteld, dus niet voldaan aan connexiteitsvereiste.

Rechtbank Midden-Nederland, 4 augustus 2021

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
4 augustus 2021
Datum publicatie
26 juli 2022
Zaaknummer
21/2055
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:6774
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Geen beroep ingesteld, dus niet voldaan aan connexiteitsvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2055


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2021 in de zaak tussen


[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).

Inleiding

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 maart 2021. Met dit besluit heeft het Uwv verzoeker laten weten dat hij vanaf 16 juni 2019 te veel uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft ontvangen, omdat geen rekening is gehouden met de betalingen van de Ziektewetuitkering. Het Uwv herziet de WW-uitkering over de periode van 16 juni 2019 tot en met 31 augustus 2019 en vordert een bedrag van € 3.578,67 terug.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorzienig te treffen.

Verzoeker heeft op 15 juni 2021 telefonisch aan de rechtbank laten weten dat het Uwv een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het Uwv heeft bevestigd dat dit op 9 juni 2021 is gebeurd en heeft de beslissing op bezwaar aan de rechtbank gestuurd.

Bij brief van 16 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter verzoeker in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is. Hieronder zal hij uitleggen waarom.

3. Er kan alleen een voorlopige voorziening worden verzocht als een bezwaar- of beroepsprocedure aanhangig is. Dit wordt het zogenoemde connexiteitsvereiste genoemd.

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Daarna is, op 9 juni 2021, een beslissing op bezwaar genomen waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard.

5. Bij brief van 16 juni 2021 is verzoeker in de gelegenheid gesteld om beroep in te

stellen tegen de beslissing op bezwaar. De beroepstermijn is inmiddels verstreken. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld. Daarom wordt niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit betekent dat verzoeker niet (meer) de mogelijkheid heeft om de voorzieningenrechter te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit volgt uit artikel 8:81 van de Awb.