Socialezekerheidsrecht
8:54. eiser heeft tweemaal bezwaar gemaakt tegen hetzelfde besluit. bezwaar door vwd terecht no verklaard…
Rechtbank Midden-Nederland, 1 maart 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:1165 · Rechtbank Midden-Nederland · 1 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2022-1165
Zaakgegevens
Op 1 maart 2022 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 1 maart 2022
- Datum publicatie
- 29 maart 2022
- Zaaknummer
- AWB - 21 _ 4209
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1165
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
8:54. eiser heeft tweemaal bezwaar gemaakt tegen hetzelfde besluit. bezwaar door vwd terecht no verklaard. beroep is kennelijk ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4209
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 13 oktober 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Op 1 november 2019 heeft verweerder een besluit genomen waarbij hij eisers bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 3 juni 2016 tot en met 21 oktober 2016. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en in de beslissing op bezwaar heeft verweerder de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken en teruggevorderd, gewijzigd naar 19 juni 2016 tot en met 21 oktober 2016. Het hiertegen ingestelde beroep (met kenmerk UTR 20/1200) is niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald.
3. Eiser heeft op 3 oktober 2021 een mail gestuurd met als onderwerp ‘herzieningsverzoek’ en op 5 oktober 2021 een brief met onderwerp ‘bezwaar’. Verweerder heeft de mail van 3 oktober 2021 aangemerkt als herzieningsverzoek. Dat verzoek, zo laat verweerder op 2 november 2021 weten, is nog in behandeling. Eisers brief van 5 oktober 2021 heeft verweerder aangemerkt als bezwaar tegen het besluit van 1 november 2019. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat je niet twee keer bezwaar kunt maken tegen hetzelfde besluit.
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder de brief van 5 oktober 2021 mocht aanmerken als bezwaar tegen het besluit van 1 november 2019. Eiser heeft het over de inhoud van het primaire besluit tot intrekking en terugvordering van 1 november 2019. Daarbij verwijst hij naar artikel 54, derde lid, van de Participatiewet, welk artikel in het primaire besluit wordt genoemd, maar niet in de beslissing op bezwaar. Eiser had eerder, op 24 november 2019, ook al bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2019. Het systeem van de Awb staat er aan in de weg om tweemaal inhoudelijk te beslissen op een bezwaar tegen eenzelfde primair besluit. In zo’n geval dient het bestuursorgaan het tweede bezwaar tegen het betreffende primaire besluit niet-ontvankelijk te verklaren.Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
5. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder in zijn brief van 2 november 2021 heeft gemeld dat het verzoek om herziening van 3 oktober 2021 nog in behandeling is. Gelet daarop gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder op het verzoek om herziening nog zal beslissen, voor zover hij dat nog niet heeft gedaan. De rechtbank geeft verweerder in overweging om daarbij ook de inhoud van de brief van 5 oktober 2021 te betrekken.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2022.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te onderteken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.