Socialezekerheidsrecht

Wmo, niet tijdig beslist op aanvraag om een maatwerkvoorziening. De rechtbank kent een proceskostenvergoeding toe.

Rechtbank Midden-Nederland, 27 mei 2024

Zaakgegevens

Op 27 mei 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 mei 2024
Datum publicatie
20 februari 2025
Zaaknummer
UTR 23/5983
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:7577
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wmo, niet tijdig beslist op aanvraag om een maatwerkvoorziening. De rechtbank kent een proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/5983


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2024 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder.

Inleiding

Verzoekster heeft op 11 augustus 2023 een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aangevraagd. Verzoekster heeft verweerder op 8 november 2023 in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken te beslissen op de aanvraag. Omdat een beslissing uitbleef, heeft verzoekster op 1 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 13 oktober 2023.

Op 21 december 2023 heeft verweerder alsnog beslist op de aanvraag.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster op 4 maart 2024 het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.

Verweerder heeft de rechtbank op 18 april 2024 medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding omdat hij niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoekster.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder op 21 december 2023 niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoekster van 11 augustus 2023. De rechtbank ziet hierin aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.

3. De rechtbank stelt deze proceskosten op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor van 0,5).

4. Verweerder moet op grond van artikel 8:41 van de Awb ook het griffierecht aan verzoekster betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 418,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2024.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.