Socialezekerheidsrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het Uwv, waarin is beslist dat aan verzoeker geen…

Rechtbank Midden-Nederland, 24 juli 2026

Zaakgegevens

Op 24 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/6519
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4940
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het Uwv, waarin is beslist dat aan verzoeker geen WW-uitkering wordt betaald. Het verzoek is afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker in financiële nood verkeert.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6519


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

Procesverloop

1. Verzoeker heeft bij het Uwv een werkloosheidsuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Met het besluit van 1 juli 2026 heeft het Uwv beslist dat verzoeker vanaf 1 juni 2026 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt betaald, omdat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden.

2. Tegen dit besluit heeft verzoeker (pro-forma) bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker voert in dit kader aan dat hij sinds 1 juni 2026 geen inkomsten meer heeft ontvangen en daardoor ernstig in de problemen is gekomen met de betaling van zijn vaste lasten. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening in afwachting van de bezwaarprocedure een voorschot op een WW-uitkering krijgen.

3. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. De voorzieningenrechter beschikt over voldoende informatie om uitspraak te doen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als later blijkt dat het Uwv onterecht geen WW-uitkering heeft uitbetaald, kan dat namelijk alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er in de tussentijd geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aan.

5. Met de brief van 14 juli 2026 heeft de griffier verzocht om de gestelde financiële noodsituatie met financiële stukken, zoals bankafschriften en aanmaningen van betalingsachterstanden, te onderbouwen. Ook is verzocht om aan te geven of een bijstandsuitkering is aangevraagd en of de gemeente daarop heeft beslist.

In reactie op deze brief heeft verzoeker een overzicht van zijn bankafschriften over de periode 1 mei tot heden, facturen van de maanden juni en juli van Vodafone en NS en een betalingsherinnering van VGZ overgelegd. Daarnaast heeft hij het besluit van 7 juli 2026 van de gemeente Almere overgelegd, waarin is beslist dat verzoeker geen bijstandsuitkering krijgt, omdat hij ten minste over de afgelopen drie maanden een inkomen had wat boven de voor hem toepasselijke norm ligt. Verzoeker had in ieder geval over mei en juni 2026 een inkomen uit facturering aan [bedrijf] B.V., nog los van het inkomen uit loondienst. Die facturering ligt ruim boven de voor verzoeker toepasselijke norm. Uit het patroon van facturering is het volgens de gemeente een redelijke veronderstelling dat verzoeker eind juli opnieuw een inkomen heeft wat boven de voor hem toepasselijke norm ligt. Volgens verzoeker blijkt uit de bankafschriften en het besluit van de gemeente Almere dat sprake is van een dreigende onomkeerbare financiële noodsituatie.

6. Hoewel de voorzieningenrechter het aannemelijk vindt dat verzoeker door de weigering om een WW-uitkering te betalen in een fors nadeliger financiële positie terecht zal komen, heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat hij tijdens de bezwaarfase in een zodanige financiële noodsituatie dreigt te verkeren dat hij niet (meer) in zijn eerste levensbehoeften kan voorzien. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen bijstandsuitkering krijgt in verband met inkomsten die de voor hem geldende bijstandsnorm ruim overstijgen. De voorzieningenrechter leidt verder uit het overzicht van verzoekers bankrekening af dat verzoeker ook na het besluit van het Uwv nog inkomsten van [bedrijf] B.V. heeft ontvangen. Verder blijkt uit de overgelegde facturen slechts van één betalingsherinnering. De voorzieningenrechter is hiermee niet gebleken dat sprake is van betalingsachterstanden op basis waarvan acute dreiging bestaat van bijvoorbeeld huisuitzetting, afsluiting van de nutsvoorzieningen of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. De stelling van verzoeker dat hij zijn vaste lasten niet meer kan betalen en dat een noodsituatie dreigt, volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Verzoeker heeft ook geen andere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij in financiële nood verkeert en dat een onomkeerbare situatie dreigt.

7. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging

8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het Uwv evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door Uwv ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door Uwv ingenomen standpunt. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake.

9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang voor verzoeker en dat het besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Conclusie

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.