Socialezekerheidsrecht
Geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden van bezwaar onjuist dan wel…
Rechtbank Midden-Nederland, 22 december 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:5735 · Rechtbank Midden-Nederland · 22 december 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbmne-2020-5735
Zaakgegevens
Op 22 december 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 22 december 2020
- Datum publicatie
- 7 januari 2021
- Zaaknummer
- UTR 20/2800 en 20/3342
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5735
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden van bezwaar onjuist dan wel onvolledig is.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 20/2800 en UTR 20/3342
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 22 december 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser/verzoeker (eiser)
(gemachtigde: mr. R.P. Seger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder
(gemachtigde: V. Staat).
Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 5 oktober 2018 tot en met 31 januari 2020 en ingetrokken per 7 januari 2020.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 6 augustus 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft de periode van de herziening gewijzigd van 5 oktober 2018 tot en met 6 januari 2020.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige
voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2020, via een beeld- en geluidverbinding (skype). Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Bij brief van 26 oktober 2020 heeft eiser verwezen naar de gronden van zijn bezwaarschrift van 15 april 2020. Eiser heeft verzocht om deze gronden van bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen in de beroepsprocedure. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd medegedeeld dat verweerder een verkeerd besluit heeft genomen met een verkeerde motivering en dat verweerder onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar eisers woonsituatie. De gemachtigde van eiser heeft verder desgevraagd medegedeeld dat hij een toelichting wenst te geven op de gronden van bezwaar van 15 april 2020 die door eiser zelf zijn ingediend.
2. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit het advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 juli 2020 integraal heeft overgenomen. De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het advies wordt ingegaan op eisers bezwaargronden. Eiser heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden van bezwaar in het advies onjuist dan wel onvolledig is.Eiser heeft dus geen concrete beroepsgronden tegen het bestreden besluit ingediend.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Omdat op het beroep is beslist, is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier de rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.