Socialezekerheidsrecht

Vovo Participatiewet. Spoedeisend belang niet aangetoond. Verzoek niet ontvankelijk.

Rechtbank Midden-Nederland, 20 maart 2025

Zaakgegevens

Op 20 maart 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20 maart 2025
Datum publicatie
24 maart 2025
Zaaknummer
UTR 25/1736
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:1262
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo Participatiewet. Spoedeisend belang niet aangetoond. Verzoek niet ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/1736


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2025 in de zaak tussen


[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

1.2.

Het college heeft de aanvraag met het besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat sprake is van spoedeisend belang vanwege acute financiële nood, waaronder het niet meer kunnen betalen van huurpenningen en het niet meer kunnen voorzien in basisbehoeften zoals onderdak en nutsvoorzieningen. Verzoeker heeft hiervoor bankafschriften en een e-mailbericht van de Tussenvoorziening van 27 februari 2025 overgelegd. Op 7 maart 2025 heeft verzoeker naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 28 februari 2025 nadere stukken ingediend, waaronder een e-mailbericht van de Tussenvoorziening van 7 maart 2025.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit het e-malbericht van de Tussenvoorziening van 27 februari 2025 blijkt dat er een betalingsregeling is getroffen met Eneco en uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat verzoeker niet geheel is verstoken van inkomsten. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een dreigende uithuiszetting of een dreigende afsluiting van energie. Al met al concludeert de voorzieningenrechter dat de financiële positie van verzoeker mogelijk niet rooskleurig is, maar dat deze op dit moment niet dusdanig is dat sprake is van een acute financiële noodsituatie of dat een onomkeerbare situatie dreigt.

5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.

6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen. Het verzoek wordt als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.