Socialezekerheidsrecht

Participatiewet - voorlopige voorziening - niet-ontvankelijk, want geen besluit overgelegd

Rechtbank Midden-Nederland, 20 juni 2025

Zaakgegevens

Op 20 juni 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20 juni 2025
Datum publicatie
26 juni 2025
Zaaknummer
UTR 25/3286
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:3082
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Participatiewet - voorlopige voorziening - niet-ontvankelijk, want geen besluit overgelegd

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/3286


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2025 in de zaak tussen


[verzoeker], zonder vaste woon- en verblijfplaats, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: E. Chahid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om hem in het kader van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand een voorschot van € 1.500,- toe te kennen.

3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

3.1.

Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij e-mail van 3 juni 2025 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen.

3.2.

Verzoeker heeft binnen die termijn geen afschrift van het besluit overgelegd.

3.1.

Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Bovendien heeft het college aangeven dat er geen stukken met betrekking tot verzoeker bekend zijn ten aanzien van een aanvraag voor bijzondere bijstand.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.