Civiel recht overig
Executiekortgeding; eiser vordert in kort geding opheffing van executoriale beslagen op woning op…
Rechtbank Midden-Nederland, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7501 · Rechtbank Midden-Nederland · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2026-7501
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/617457 / KG ZA 26-556
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.M. Hesselink te Naarden, mr. R. Lagerwaard te Hilversum
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7501
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executiekortgeding; eiser vordert in kort geding opheffing van executoriale beslagen op woning op; toewijzing; niet aannemelijk dat de grosse van notariële akte executoriale werking heeft voor de vordering die gedaagden met de tenuitvoerlegging proberen te incasseren; artikel 430 Rv; Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/617457 / KG ZA 26-556
Vonnis in kort geding van 27 oktober 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. J.M. Hesselink te Naarden,
tegen
1 [gedaagde partij sub 1] ,
te [woonplaats] ,
2. [gedaagde partij sub 2],
te [woonplaats] ,
3. DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [gedaagde partij sub 3],
te [woonplaats] , gemeente Aa en Hunze,
4. [gedaagde partij sub 4] V.O.F. [gedaagde partij sub 4],
te [woonplaats] , gemeente Aa en Hunze,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde c.s.] en afzonderlijk: [gedaagde partij sub 1] , [gedaagde partij sub 2] , [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] .
advocaat: mr. R. Lagerwaard te Hilversum.
1 De procedure
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de op 14 september 2026 aan [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 9
- de op 6 oktober 2026 door [eisende partij] ingediende producties 10 en 11
- de op 7 oktober 2026 door [eisende partij] ingediende producties 12 en 13
- de op 9 oktober 2026 door [eisende partij] ingediende akte vermeerdering van eis
- de op 10 oktober 2026 door [eisende partij] ingediende producties 14 en 15
- de op 11 oktober 2026 door [eisende partij] ingediende conclusie van eis (tegen [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] )
- de op 11 oktober 2026 door [eisende partij] ingediende productie 16
- de op 12 oktober 2026 door [gedaagde c.s.] ingediende akte tot voeging dan wel tussenkomst van [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] aan de zijde van [gedaagde c.s.] met producties 1 en 2
- de op 12 oktober 2026 aan [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] betekende dagvaarding met producties 1 en 2
- de op 12 oktober 2026 door [gedaagde c.s.] overgelegde producties 1 tot en met 9.
Op de mondelinge behandeling van 13 oktober 2026 is mr. Hesselink verschenen namens [eisende partij] . Namens [gedaagde c.s.] zijn [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] verschenen (voor zichzelf en als de enige twee vennoten van [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] ) en mr. Lagerwaard. Zowel door de advocaat van [eisende partij] als door de advocaat van [gedaagde c.s.] zijn spreekaantekeningen voorgedragen. Afschrift van die spreekaantekeningen is toegevoegd aan het procesdossier. Daarnaast heeft de zittingsgriffier aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat op 27 oktober 2026 vonnis wordt gewezen.
2 De kern van de zaak
[gedaagde c.s.] heeft op grond van een grosse van een notariële akte van 24 april 2025 executoriale beslagen laten leggen op de woning van [eisende partij]. [eisende partij] vordert in deze procedure onder meer opheffing van deze beslagen (hierna: de beslagen) en een verbod om opnieuw executoriaal beslagen te leggen, met dwangsom, rente, kosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen. De voorzieningenrechter heft de beslagen op omdat [eisende partij] aannemelijk heeft gemaakt dat die notariële akte in dit geval geen executoriale titel oplevert. Het gevraagde verbod wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.
3 De verdere achtergrond van het geschil
[gedaagde partij sub 3] heeft in maart 2022 de camping “ [camping] ” in [plaats] verkocht aan [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) voor € 3.090.00,-. Daarbij is afgesproken dat [gedaagde partij sub 4] [onderneming 1] nog enige tijd zou adviseren over de exploitatie en ontwikkeling van de camping en over de ontwikkeling en verkoop van de recreatiewoningen daarop.
Over de verkoop is een geschil ontstaan en [gedaagde c.s.] heeft op enig moment conservatoir beslag heeft laten leggen op de registergoederen van de camping. Daarna, op 9 november 2024, heeft [onderneming 1] – ondanks dat conservatieve beslag – een hypotheekrecht gegeven aan [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ), als zekerheid voor de lening die [onderneming 2] aan [onderneming 1] had gegeven. Met die lening heeft [onderneming 1] de koopprijs van de camping (mede) betaald. [eisende partij] is de enige statutaire bestuurder en de enige aandeelhouder van [onderneming 2] .
[gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] zijn vervolgens een bodemprocedure begonnen tegen [onderneming 1] . In die hoofdzaak zijn [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] in december 2024 in het gelijk gesteld. Daarna zijn partijen tot een regeling gekomen die is vastgelegd in een onderhandse vaststellingsovereenkomst van 25 maart 2025 (hierna: de vso) en een notariële vaststellingsovereenkomst van 24 april 2025 (hierna: de akte).
In de vso staan verschillende vorderingen:
-
een vordering van € 500.000,- in artikel 1 vso (inmiddels betaald);
-
een vordering van € 200.000,- in artikel 3 vso;
-
nog een vordering van € 500.000,- in artikel 5 vso.
De tenuitvoerlegging waar het in deze zaak over gaat, betreft alleen de laatstgenoemde vordering (hierna: de tweede € 500.000,-).
4 De beoordeling
Het toetsingskader in kort geding
Om met succes een vordering in kort geding te kunnen instellen, moet [eisende partij] een spoedeisend belang hebben. Aan dit vereiste is voldaan, want [eisende partij] vordert opheffing van executoriale beslagen en schorsing van verdere tenuitvoerlegging. Dat zijn voorzieningen die alleen al naar hun aard voldoende spoedeisend zijn.
Inhoudelijk moet in een kort geding worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarnaast moet de voorzieningenrechter de wederzijdse belangen van partijen tegen elkaar afwegen.
De maatstaf bij de beoordeling van de executoriale kracht van authentieke akten
Het gaat om de vraag of voldoende aannemelijk is dat de grosse van de akte executoriale werking heeft voor de tweede € 500.000,-.
Artikel 430 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat aan grossen van authentieke aktes, evenals aan rechterlijke vonnissen, executoriale kracht toekomt. Het is vaste rechtspraak dat die executoriale werking is beperkt tot vorderingen die met voldoende bepaaldheid in die akte zijn omschreven. Die beperking is ingegeven door het verstrekkende en ingrijpende karakter van die executoriale werking. Die geeft de schuldeiser namelijk de bevoegdheid om vorderingen zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst met dwangmiddelen ten uitvoer te laten leggen op het vermogen van de schuldenaar. In 2025 heeft de Hoge Raad verder verduidelijkt aan dat bepaalbaarheidscriterium niet is voldaan als het ontstaan van de vordering afhankelijk is van toekomstige gebeurtenissen die bij de opstelling van de akte onzeker zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om de overtreding van een geheimhoudingsbeding waaraan een contractuele boete is verbonden. Voor zo’n vordering is de notariële akte dan ook geen een executoriale titel. Het bepaalbaarheidscriterium is kortom een hoge drempel.
Aannemelijk dat de akte geen executoriale werking heeft voor de tweede € 500.000,-
De executoriale werking van authentieke akten is kortom beperkt tot vorderingen die daarin duidelijk zijn omschreven. Die hoge drempel, “met voldoende bepaalbaarheid omschreven”, is voor de tweede € 500.000,- niet gehaald.
Bij dit oordeel is in de eerste plaats van belang dat de tweede € 500.000,-, alleen in de vso wordt omschreven. Die vso, en dus ook die omschrijving, wordt geacht deel uit te maken van de akte. In de akte zelf staat niets dat aan die omschrijving iets toevoegt. De voorzieningenrechter zal dus moeten afgaan op de omschrijving in de vso.
Daarbij is van belang dat de vso niet tussen dezelfde partijen is gesloten als de akte. [eisende partij] is de enige die zowel in de vso als in de akte als partij wordt genoemd. Bij de vso zijn alleen [eisende partij] en [gedaagde partij sub 1] partij. [onderneming 2] , [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] zijn dat niet en [onderneming 1] ook niet. De akte is aangegaan tussen [eisende partij] en [onderneming 2] enerzijds en [gedaagde partij sub 3] , [gedaagde partij sub 4] en [onderneming 1] anderzijds, maar [gedaagde partij sub 1] zelf is weer geen partij. Toch vermeldt de akte dat de vso integraal deel uitmaakt van die akte, zonder uit te leggen wat daarmee is bedoeld. Dat had uitleg nodig in de akte. Dat er zelfs op dit basisniveau onduidelijkheid is, is een aanwijzing dat niet is voldaan aan het bepaalbaarheidscriterium.
De tweede € 500.000,- wordt in de vso als volgt omschreven (waarbij met “ [gedaagde partij sub 1] ” is bedoeld: [gedaagde partij sub 1] en met “ [eisende partij] ”: [eisende partij] ):
4. Na betaling van de eerste € 500.000 gaan partijen met een schone lei verder in de ontwikkeling. [gedaagde partij sub 1] helpt met de ontwikkeling qua advisering. [gedaagde partij sub 1] heeft geen enkele financiële verplichting.
5. Uit de opbrengst ontvangt [gedaagde partij sub 1] nog eens € 500.000, zodat hij in totaal maximaal € 1.200.000 ontvangt.
6. De periode van terugbetaling binnen de ontwikkeling bedraagt maximaal drie jaar.
7. Na betaling van de € 500.000 ontvangt [gedaagde partij sub 1] voor zijn inspanningen [X]% per verkochte chalet.
8. De voorwaarden in deze vaststellingsovereenkomst vormen de hoofdlijnen van de afspraken. Partijen zullen een side contract opstellen waarin de voorwaarden nader worden uitgewerkt.
9. De Camping wordt niet verkocht aan derden zonder goed overleg. Indien de camping toch wordt verkocht, ontvangt [gedaagde partij sub 1] de volledige resterende som zoals bepaald in deze overeenkomst.
[eisende partij] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat uit de vso niet blijkt dat [eisende partij] degene is die de tweede € 500.000,- moet betalen. Bij de andere bedragen in de vso staat er namelijk steeds uitdrukkelijk bij dat [eisende partij] deze betaalt. Voor de tweede € 500.000,- staat in artikel 5 vso niet dat [gedaagde partij sub 1] die ontvangt van [eisende partij] waar dat bij de eerste€ 500.000,- wel staat. Ook komt die opbrengst niet bij [eisende partij] binnen, maar bij [onderneming 1] .
[onderneming 1] zou immers de camping verder gaan exploiteren en ontwikkelen.
Daaruit is echter niet zonder meer af te leiden dat [eisende partij] de tweede € 500.000,- niet (ook) moest betalen. Onderaan de vso staat immers:
“[eisende partij] betaalt bovenvermelde bedragen namens [onderneming 1] . Als gevolg van bovenvermelde betalingen verkrijgt [eisende partij] een (extra) vordering op [onderneming 1] / [A] / [B] .”
Hieruit blijkt voor dit moment voldoende duidelijk dat [eisende partij] ook de tweede € 500.000,- moet betalen.
Voldoende aannemelijk dat de tweede € 500.000,- nog niet opeisbaar is
In artikel 6 vso staat met zoveel woorden dat de periode van terugbetaling van de tweede € 500.000,- maximaal drie jaar bedraagt. De vso is aangegaan op 25 maart 2025. De termijn van drie jaar is dus nog niet voorbij.
Volgens [gedaagde c.s.] kan hij de betaling toch al eisen.
In de eerste plaats omdat [onderneming 1] de camping aan derden heeft verkocht, zonder goed overleg als bedoeld in artikel 9 vso. [gedaagde c.s.] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat die verkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, nog daargelaten of daarmee de vordering ook direct opeisbaar wordt.
Als tweede reden voor de vervroegde opeisbaarheid heeft [gedaagde c.s.] aangevoerd dat hij ten onrechte niet bij de ontwikkeling is betrokken. Dat had op grond van artikelen 4 en 7 vso wel gemoeten. Volgens hem zouden partijen op dit punt nog nadere afspraken maken, onder meer in het side contract dat in artikel 8 vso wordt aangekondigd. Ook dat is niet voldoende voor opeisbaarheid. Die nadere afspraken zijn nooit gemaakt en uit de afspraken die wel zijn vastgelegd, blijkt niet dat de tweede € 500.000,- vervroegd opeisbaar zal worden als [gedaagde c.s.] niet bij de ontwikkeling wordt betrokken.
De derde en laatste reden die [gedaagde c.s.] aanvoert, is dat de gemeente recentelijk de erfpacht heeft opgezegd voor de percelen waarop de camping staat. Daardoor is de ontwikkeling die in de vso is voorzien helemaal niet meer mogelijk volgens [gedaagde c.s.] . Ook daarvoor geldt dat uit de vastgelegde afspraken niet blijkt dat in dat geval de tweede € 500.000,- ook eerder dan na drie jaar opeisbaar is. Verder is in het kader van dit kort geding niet vast te stellen of met die opzegging alle ontwikkeling door [onderneming 1] inderdaad onmogelijk is geworden.
De slotsom is dat [eisende partij] voldoende heeft onderbouwd dat de tweede € 500.000,- op dit moment nog niet opeisbaar is, zodat het onvoldoende aannemelijk is dat de akte voor die vordering executoriale werking heeft. De executoriale beslagen zullen dan ook worden opgeheven.
Het gevraagde verbod om op grond van de akte en de vso in de toekomst executoriaal beslag te doen leggen ten laste van [eisende partij] of [onderneming 2] , wordt afgewezen. Onder 4.10 tot en met 4.12 is uiteengezet waarom het aannemelijk is dat de akte op dit moment en onder deze omstandigheden geen executoriale werking heeft voor de tweede € 500.000,-. Zolang die omstandigheden niet veranderen, biedt die vaststelling voldoende bescherming tegen de gelijksoortige beslagen die [eisende partij] vraagt te verbieden, ook omdat [gedaagde c.s.] aansprakelijk is voor onrechtmatige tenuitvoerlegging. Daar komt bij dat de akte in de toekomst voor die vordering mogelijk wel executoriale werking heeft, bijvoorbeeld na het verstrijken van de drie jaarstermijn genoemd in artikel 6 vso.
[gedaagde c.s.] krijgt ongelijk en moet aan [eisende partij] een proceskostenvergoeding betalen
[gedaagde c.s.] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
155,53 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.862,53 |
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] zijn op 14 september 2026 gedagvaard en [gedaagde partij sub 3] en [gedaagde partij sub 4] op 12 oktober 2026. De daarmee gemoeide extra dagvaardingskosten blijven voor rekening van [eisende partij] . Die had hij kunnen vermijden door de vier gedaagden in één keer te dagvaarden, zodat zij nodeloos zijn aangewend als bedoeld in het eerste lid van artikel 237 Rv. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
heft de beslagen op,
veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.862,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde c.s.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.
JO/4972