Civiel recht overig

Kort geding. Geldvordering. Afwijzing. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verzuim van…

Rechtbank Rotterdam, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/727219 / KG ZA 26-1040
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. W. Matadien, mr. C.J.H. Anker
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14571
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Geldvordering. Afwijzing. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verzuim van gedaagde. Daarom worden alle vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/727219 / KG ZA 26-1040

Vonnis in kort geding van 23 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats],

eisende partij,

advocaat: mr. W. Matadien,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

advocaat: mr. C.J.H. Anker.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een geschil tussen een aannemer en zijn opdrachtgever.
De opdrachtgever is niet tevreden met het werk dat de aannemer heeft uitgevoerd. De opdrachtgever vordert in dit kort geding onder meer de ontbinding van de overeenkomst, een machtiging van de voorzieningenrechter om de herstelwerkzaamheden zelf uit te voeren op kosten van de aannemer, en vervangende schadevergoeding. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 oktober 2026, met bijlagen E1 tot en met E17 en E19;
- de stelbrief van mr. Anker, met bijlagen G1 tot en met G4;

- de nader ingezonden bijlagen G5 en G6;

- de nader ingezonden bijlagen E20 tot en met E23;
- de mondelinge behandeling van 19 oktober 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Matadien;
- de spreekaantekeningen van mr. Anker.

3 De relevante feiten

3.1.

Partijen zijn een aanneemovereenkomst aangegaan waarbij [eiser] aan [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van renovatie- en verbouwwerkzaamheden aan zijn huis.

3.2.

Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] een bedrag van € 165.004,00 moet betalen voor de afgesproken werkzaamheden.

3.3.

De startdatum van de werkzaamheden was op 16 maart 2026. Op basis van het werkschema was de einddatum van de werkzaamheden bepaald op 31 juli 2026.

3.4.

Sinds 19 augustus 2026 is [gedaagde] de toegang tot de woning ontzegd door [eiser].

3.5.

[eiser] heeft op 24 augustus 2026 een opname laten plaatsvinden van het uitgevoerde werk door de Keuringsdienst van Wonen. Op 4 september 2026 is het rapport uitgebracht.

3.6.

Op 1 september 2026 is [gedaagde] in gebreke gesteld.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. Voor recht verklaart dat het waarschijnlijk is dat [gedaagde] de woning niet naar behoren kan opleveren aan [eiser], voor welke tekortkoming [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, op te maken en te vereffenen volgens de wet;

II. Ontbinding van de overeenkomst van aanneming van werk tussen partijen;

III. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis;

IV. [eiser] machtigt om, op grond van artikel 3:299 BW, de noodzakelijke herstelwerkzaamheden ter opheffing van de gebreken aan de woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] – zoals nader omschreven in het lichaam van deze dagvaarding en/of het overgelegde deskundigenrapport – zelf uit te voeren of door een of meerdere derden te doen uitvoeren;

V. [gedaagde] veroordeelt om de daadwerkelijke kosten en van de onder IV genoemde herstelwerkzaamheden, inclusief eventueel bijkomende deskundigen- en expertkosten, aan [eiser] te vergoeden;

VI. [gedaagde] veroordeelt om de door de keuringsdienst bepaalde herstelkosten ad € 120.650,00 binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen;

VII. [gedaagde] veroordeelt om, bij wijze van voorschot op de nog niet en/of nog niet volledig uitgevoerde werkzaamheden, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, een bedrag van € 80.108,05, aan [eiser] te betalen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschotbedrag.

Subsidiair

VIII. [gedaagde] veroordeelt aan [eiser] een vervangende schadevergoeding te betalen met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de gevolgschade alsmede de rente en kosten wegens ernstige tekortkoming, voor welke tekortkoming [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Primair en subsidiair

IX. [eiser] machtigt om, op grond van artikel 3:299 BW, de noodzakelijke herstelwerkzaamheden ter opheffing van de gebreken aan de woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] – zoals nader omschreven in het lichaam van deze dagvaarding en/of het overgelegde deskundigenrapport – zelf uit te voeren of door een of meerdere derden te doen uitvoeren;

X. [gedaagde] veroordeelt om de daadwerkelijke kosten van de onder IX genoemde herstelwerkzaamheden, inclusief eventueel bijkomende deskundigen- en expertkosten, aan [eiser] te vergoeden;

XI. [gedaagde] veroordeelt om de door de keuringsdienst bepaalde herstelkosten ad € 120.650,- binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen;

XII. [gedaagde] veroordeelt om, bij wijze van voorschot op de nog niet en/of nog niet volledig uitgevoerde werkzaamheden, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, een bedrag van € 80.108,05,- aan [eiser] te betalen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschotbedrag;

XIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van het deskundigenrapport van de Keuringsdienst voor Wonen ten bedrage van € 2.270,00;

XIV. Voor zover mogelijk, [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de bij punt 54 tot en met 85 genoemde schadeposten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

XV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5 De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding

5.1.

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiser] bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.

5.2.

Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op haar plaats. Bij deze beoordeling speelt met name een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.

[eiser] heeft een spoedeisend belang

5.3.

[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige maatregelen. Het huis is nog niet af en is daardoor blootgesteld aan het weer. De herfst is begonnen en de winter is op komst. Daarnaast woont [eiser] met zijn gezin in de woning, die niet geschikt is voor bewoning. [eiser] kan met zijn gezin nergens anders heen wegens gebrek aan geld, zodat er dringend iets moet gebeuren om de geconstateerde gebreken te herstellen en de nog niet uitgevoerde werkzaamheden zo spoedig mogelijk te laten uitvoeren.

5.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Het verweer van [gedaagde] dat van de overeengekomen aanneemsom circa € 20.000,00 nog niet is betaald, zodat niet kan worden gesteld dat de financiële middelen van [eiser] uitgeput zijn, maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Als de werkzaamheden worden voortgezet moet dat geld juist worden besteed aan [gedaagde] en staat het dus niet zonder meer ter vrije beschikking van [eiser]. Bovendien is genoemd bedrag volgens de stellingen van [eiser] veel te gering voor de door hem beoogde verdere werkzaamheden.

De primaire vorderingen worden afgewezen

Vorderingen I tot en met III

5.5.

Met vordering I wordt getracht om een oordeel van de voorzieningenrechter te krijgen over de rechtsverhouding tussen partijen. Toewijzing van een dergelijke vordering zou leiden tot een declaratoir oordeel van de voorzieningenrechter en is niet toegestaan in kort geding. Vordering II is een ontbindingsvordering. Vanwege het karakter van het kort geding geldt dat de rechter in kort geding geen constitutieve uitspraak mag doen waarmee een bestaande rechtstoestand wordt gewijzigd of opgeheven of een nieuwe rechtstoestand in het leven wordt geroepen. Vordering III, waarbij nakoming wordt gevorderd van de ongedaanmakingsverbintenis, ligt in het verlengde van vordering II en is daarom ook niet toewijsbaar.

Vorderingen IV tot en met VII

5.6.

Ook vorderingen IV tot en VII worden afgewezen. Niet eenduidig is wat [eiser] als juridische grondslag beoogt aan te voeren. Deze vorderingen worden deels geplaatst in de sleutel van de gevolgen van ontbinding, deels als herstelkosten als gevolg van schade, op te maken bij staat. De voorzieningenrechter vat een en ander mede op als een beroep op artikel 7:756 BW, dat ontbinding mogelijk maakt indien reeds vóór oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Zoals hierna zal blijken – zie overwegingen 5.9 tot en met 5.17 – is dit niet voldoende aannemelijk geworden.

De subsidiaire vordering (VIII) wordt afgewezen

5.7.

[eiser] vordert subsidiair – voor het geval de primaire vordering wordt afgewezen – vervangende schadevergoeding op de voet van artikel 6:87 lid 1 BW.

5.8.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Artikel 6:87 BW bepaalt dat een verbintenis, waarvan nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Over het eerste vereiste (nakoming niet blijvend onmogelijk) hebben partijen geen discussie. De andere vereisten worden hierna besproken.

Verzuim wegens overschrijding van een termijn?

5.9.

[eiser] stelt dat partijen een einddatum zijn overeengekomen, zijnde 31 juli 2026. Deze datum geldt als fatale termijn voor oplevering, aldus [eiser]. Die termijn is niet gehaald door [gedaagde] waardoor [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming. Omdat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen, treedt het verzuim direct, zonder ingebrekestelling, in (artikel 6:83 sub a BW). Ondanks dat verzuim direct is ingetreden, heeft [eiser] [gedaagde] alsnog in de gelegenheid gesteld na te komen. Op 1 september 2026 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en [gedaagde] daarbij een termijn van 10 dagen gegeven om na te komen. Ook daar heeft [gedaagde] geen gehoor aan gegeven.

Verder stelt [eiser] dat hij in zijn dagvaarding kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn vordering tot nakoming van de overeenkomst wil omzetten in een vordering tot schadevergoeding, als zijn primaire vordering wordt afgewezen, hetgeen als een voorwaardelijke omzettingsverklaring dient te worden beschouwd, aldus [eiser].

5.10.

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de datum 31 juli 2026 een fatale termijn betreft. Volgens [gedaagde] is in eerste instantie (slechts) een geplande einddatum van 31 juli 2026 overeengekomen, die gebaseerd was op het werkschema. Het werk verliep in eerste instantie voortvarend, aldus [gedaagde]. Gedurende het project bleek echter dat [eiser] extra wensen had. Deze extra werkzaamheden hebben partijen met elkaar besproken. Het was voor beide partijen duidelijk dat de geplande einddatum daardoor niet meer gehaald zou worden. De vertraging is daarnaast ook ontstaan door het uitblijven van betalingen door [eiser]. Daardoor kon [gedaagde] de benodigde materialen voor de werkzaamheden niet inkopen en moest het werk in mei en juni 2026 enkele weken worden stilgelegd. De planning liep zodoende door toedoen van [eiser] vertraging op. Omdat er geen fatale termijn is afgesproken, is [gedaagde] niet tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ten aanzien van de termijn. [gedaagde] verkeert dus niet in verzuim.

Voor zover [gedaagde] in gebreke zou zijn gesteld op 1 september 2026, voert [gedaagde] aan dat een termijn van 10 dagen voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden niet als een redelijke termijn kan worden beschouwd. Uit het rapport van de Keuringsdienst van Wonen blijkt namelijk dat de gestelde herstelwerkzaamheden meerdere weken in beslag zouden moeten nemen. Voor zover van toepassing is dus (ook) niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:82 lid 1 BW dat de gestelde termijn redelijk is, aldus nog steeds [gedaagde].

5.11.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de in het werkschema opgenomen data niet zonder meer worden aangemerkt als ‘voor de voldoening bepaalde termijn' in de zin van artikel 6:83 sub a BW, door het verstrijken waarvan de schuldenaar in verzuim raakt zonder dat daarvoor een voorafgaande ingebrekestelling nodig is. De onderhavige overeenkomst van aanneming zag op een ingrijpende renovatie en vergroting van de woning in een geplande periode van 4,5 maanden. In een bodemprocedure zou nader onderzoek nodig zijn om vast te stellen wat partijen op dit punt over weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan een rol spelen dat geenszins uitzonderlijk is dat bij dergelijke projecten vertraging optreedt, waaraan diverse omstandigheden kunnen bijdragen, waarna de planning gedurende de uitvoering van de werkzaamheden vaak wordt bijgesteld. Eén van die omstandigheden kan zijn het opdragen van meerwerk, hetgeen hier het geval is. Het moet voor [eiser] duidelijk zijn geweest dat door de extra werkzaamheden (en mogelijk ook door het deels uitblijven van betalingen), de beoogde datum niet meer zou worden gehaald. Om deze redenen kan niet zonder meer worden gesproken van een fatale termijn die afloopt op 31 juli 2026. [gedaagde] verkeert dus na het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure niet in verzuim door het enkele overschrijden daarvan.

Verzuim wegens gebreken / tekortkomingen in de nakoming?

5.12.

[eiser] stelt vervolgens dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst vanwege onvoldoende kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden. [eiser] voert aan dat het uitgevoerde werk niet alleen ernstige gebreken vertoont, maar dat delen van het uitgevoerde werk zelfs een constructief risico vormen die bij belasting of weersinvloeden kunnen leiden tot verdere verzakking, scheurvorming of verlies van waterdichtheid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] een rapport overgelegd van de Keuringsdienst voor Wonen.

5.13.

[gedaagde] voert verweer. Het werk aan de woning is nog niet af en [gedaagde] heeft niet te kennen gegeven dat de woning klaar is om te worden opgeleverd in de zin van artikel 7:758 lid 1 BW. De opdracht bevindt zich nog in de uitvoerende staat. Dat blijkt ook uit het rapport van de Keuringsdienst van Wonen.

5.14.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] in haar verweer dat de opdracht nog niet is opgeleverd in de zin van artikel 7:758 lid 1 BW. De Keuringsdienst van Wonen lijkt in haar rapport te zijn uitgegaan van een opgeleverd werk. Dat er onafgeronde werkzaamheden zijn aangetroffen, terwijl [gedaagde] haar werkzaamheden nog niet had afgerond, is dan niet vreemd. Niet afgeronde onderdelen van het werk, slordigheden en herstelbare onvolkomenheden kunnen dan niet als gebreken worden aangemerkt. Naast een opsomming van nog niet uitgevoerde onderdelen van het werk (ónder 'resterende afbouwkosten') bevat het rapport (pagina 20) een 'overzicht bevindingen en herstelkosten'. In dat overzicht zijn 16 punten opgesomd. Dit betreft in overwegende mate (nog) onvolledige afwerking of installatie. Wat betreft de kozijnen, de staalconstructie, de deuren en de cv-installatie is volgens het rapport het werk niet deugdelijk uitgevoerd dan wel van onvoldoende kwaliteit. Dit is echter door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Deze betwisting kan niet op voorhand als ondeugdelijk of onaannemelijk worden aangemerkt. Dit kort geding leent zich niet voor nader onderzoek naar de kwaliteit van het werk.

De conclusies uit het rapport kunnen in dit stadium om deze redenen niet dienen als bewijs van gebreken.

Verzuim op andere grond?

5.15.

[eiser] stelt in zijn dagvaarding verder dat het verzuim direct is ingetreden omdat niet van hem kan worden gevergd dat hij [gedaagde] nog tot herstel toelaat. Hij verwijst hierbij naar jurisprudentie. [eiser] voert in dit kader aan dat uit het deskundigenrapport van de keuringsdienst blijkt dat er sprake is van ernstige gebreken en structureel gebrek aan vakbekwaamheid en zorgvuldigheid bij de uitvoering van de werkzaamheden. Volgens [eiser] hebben zij een 'gerechtvaardigd gebrek aan vertrouwen'’ in [gedaagde], en kan van [eiser] daarom niet worden gevergd de herstelwerkzaamheden door [gedaagde] te laten uitvoeren.

5.16.

Daartegen voert [gedaagde] verweer. [gedaagde] betwist dat verzuim is ingetreden. Gelet op de meerwerk-opdrachten en de gevolgen daarvan voor de planning van het werk, alsmede het feit dat er niet (tijdig) is betaald waardoor het werk een aantal weken heeft stilgelegen, is vertraging ontstaan, maar [gedaagde] is nog steeds bereid en in staat het werk goed af te ronden.

5.17.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het door [eiser] gestelde gebrek aan vertrouwen is gestoeld op het rapport van de Keuringsdienst van Wonen. Zoals hiervoor al is overwogen, is het rapport uitgegaan van de stand van het werk als ware het een opgeleverd werk, terwijl de werkzaamheden nog in volle uitvoering zijn/waren. De bevindingen uit dat rapport kunnen dus geen feitelijke grondslag bieden voor het gebrek aan vertrouwen. [eiser] heeft zijn stelling in dit kader niet verder onderbouwd. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake is van verzuim of van de situatie dat waarschijnlijk is dat het werk niet behoorlijk zou worden opgeleverd.

Omzettingsverklaring?

5.18.

Overigens moet worden vastgesteld dat [eiser] niet jegens [gedaagde] heeft verklaard dat hij de verbintenis tot nakoming omzet in een vordering tot (vervangende) schadevergoeding. De inhoud van de kortgeding-dagvaarding kan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet als zodanig worden aangemerkt. Daarvoor bevat de dagvaarding te veel innerlijke tegenstrijdigheden (zie punt 5.5 en 5.6 hiervoor).

Schuldeisersverzuim?

5.19.

Het werk ligt stil door de discussie tussen partijen over de staat van het werk en over de betalingen. [gedaagde] doet een beroep op schuldeisersverzuim van [eiser] en op artikel 6:61 lid 2 BW, inhoudende dat zolang de schuldeiser ([eiser]) in verzuim is, de schuldenaar ([gedaagde]) niet in verzuim kan geraken. [gedaagde] voert aan dat [eiser] de werkzaamheden heeft gefrustreerd, waaronder het beletten van een poging om lekkage te herstellen op 19 augustus 2026. Door [gedaagde] de toegang tot de woning te ontzeggen en vervolgens de lekkage zelf te doen herstellen, is schuldeisersverzuim ontstaan, aldus [gedaagde]. [eiser] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken.

5.20.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is om deze reden op 19 augustus 2026 schuldeisersverzuim ingetreden.

De primaire en subsidiaire vorderingen worden afgewezen

5.21.

Uit het voorgaande volgt dat in dit kort geding het bestaan van een toewijsbare schadevordering onvoldoende aannemelijk is gemaakt. In een bodemprocedure zou nader bewijs en/of nader onderzoek nodig zijn. De conclusie is dat de primaire en subsidiaire vorderingen I tot en met VIII niet toewijsbaar zijn.

Vordering IX tot en met XII

5.22.

Deze vorderingen zijn hetzelfde als vorderingen IV tot en met VII. Hiervan is al geoordeeld dat deze worden afgewezen.

Vordering XIII en XIV

5.23.

Deze vorderingen zien op schadeposten die voortbouwen op het gestelde verzuim en de gestelde tekortkomingen. Die zijn onvoldoende aannemelijk gebleken. Daarom worden deze geldvorderingen afgewezen.

Conclusie

5.24.

Al het voorgaande in overweging genomen, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de gegrondheid van de vorderingen van [eiser] in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden. Dat heeft tot gevolg dat er geen grond is om, vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure, voorlopige maatregelen te treffen.
Voor de geldvorderingen geldt dit nog sterker omdat in kort geding daarbij extra terughoudendheid is geboden.

Belangenafweging

5.25.

Een belangenafweging brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. De focus van [eiser] op de oplevering van de woning per 1 augustus 2026 vanwege de start van het nieuwe schooljaar van zijn dochter, begrijpt de voorzieningenrechter. Het belang van die datum maakt echter om de hiervoor besproken redenen nog niet dat vanaf die datum de onvoltooide staat van het werk leidt tot een schadevergoedingsplicht. Bovendien is het (tenminste mede) door toedoen van [eiser] dat de werkzaamheden niet zijn voortgezet vanaf 19 augustus 2026. Daarna is de communicatie tussen partijen vastgelopen. Beide partijen zijn vervolgens passief gebleven, met grote verwijten over en weer.

5.26.

Op de zitting is aan de orde gesteld dat een praktische, snelle oplossing nog steeds in het belang van beide partijen zou zijn. Bepaald niet uitgesloten is dat een geschikte nieuwe aannemer niet snel gevonden zal worden, en al helemaal niet in een situatie als deze, waarin werkzaamheden van een vorige aannemer worden overgenomen. Het lijkt daarom raadzaam te overwegen de werkzaamheden weer door [gedaagde] op te laten pakken. Over de kosten kunnen partijen indien nodig later doorprocederen.

[eiser] moet de proceskosten betalen

5.27.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarmee wordt ook vordering XV afgewezen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

€

7.062,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

8.428,00

5.28.

De proceskosten worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [gedaagde] dat vordert en daartegen geen verweer is gevoerd.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op

23 oktober 2026.

[4041/1694]