Insolventierecht
Verzet faillietverklaring niet-ontvankelijk. Schuldenaar is niet met een advocaat verschenen en was tijdens…
Rechtbank Midden-Nederland, 23 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1672 · Rechtbank Midden-Nederland · 23 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-1672
Zaakgegevens
Op 23 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 23 maart 2026
- Datum publicatie
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- C/16/26/111F
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1672
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet faillietverklaring niet-ontvankelijk. Schuldenaar is niet met een advocaat verschenen en was tijdens een eerste behandeling verschenen.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Toezicht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/26/111F
Vonnis van 23 maart 2026
op het verzet in het faillissement van
de stichting
[opposante]
,
statutair gevestigd [vestigingsplaats] ,
vestigingsadres: [postcode] [plaats] , [adres] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
opposante,
hierna te noemen: [opposante] ,
tegen
de besloten vennootschap
[geopposeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geopposeerde,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
advocaat mr. S.A.C.A. van Vloten.
1 De procedure
Het verloop van de procedure volgt uit:
- het vonnis van 10 maart 2026,
- het bezwaar tegen de faillietverklaring van 17 maart 2026.
Omdat op basis van de stukken blijkt dat het verzoek niet kan worden behandeld, heeft geen behandeling ter zitting plaatsgevonden.
2 De beslissing
Op grond van artikel 5 lid 1 Fw moet een verzoek als bedoeld in artikel 8 Fw moet ingediend worden voor een advocaat. Nu [opposante] het verzoek zelf ingediend, is zij niet ontvankelijk in haar verzoek.
Daar komt bij dat [opposante] op 13 januari 2026 is verschenen in de procedure. Als [opposante] bij de eerste behandeling voor de rechtbank is verschenen dan is van een verstekprocedure geen sprake meer, ook als zij bij het vervolg van de behandeling op een volgende zitting niet is verschenen. [opposante] kan dus geen verzet instellen, maar slechts hoger beroep (zie HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0811).