Insolventierecht

WSNP. Geen schone lei. De schuldenaar heeft gedurende de verlenging niet voldaan aan de afdrachtverplichting.

Rechtbank Midden-Nederland, 29 juni 2026

Zaakgegevens

Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
29 juni 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
C/16/23/162 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5651
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WSNP. Geen schone lei. De schuldenaar heeft gedurende de verlenging niet voldaan aan de afdrachtverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Team Insolventie

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/23/162 R

Vonnis op grond van artikel 354 Fw (einduitspraak zonder schone lei) van 29 juni 2026

in de zaak van

[A] ,

geboren op [geboortedatum] -1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

hierna: [A] .

1 De procedure

1.1.

Bij vonnis van deze kamer van 27 december 2023 is het faillissement van [A] omgezet in een schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op [A] . Bewindvoerder is [B] Rrechter-commissaris is mr. G. Konings.

1.2.

Op 19 juni 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [A] niet heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht. De Wsnp is toen verlengd. [A] is vrijgesteld van de overige verplichtingen, behalve de afdrachtplicht. [A] moest € 1.000,- per maand afdragen om de opgelopen achterstand in te lopen. De looptijd is verlengd met 12 maanden of zoveel korter tot de achterstand aan afdrachten aan de boedel is ingelopen.

1.3.

Op 31 oktober 2025 heeft de bewindvoerder namens [A] de rechter-commissaris verzocht de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen met zes maanden (tot 27 december 2026) en de maandelijkse afdracht te verlagen naar € 500,- per maand. De rechter-commissaris heeft dit verzoek op 20 november 2025 afgewezen.

1.4.

Op 22 juni 2026 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Faillissementswet (Fw) plaatsgevonden. De bewindvoerder en [A] zijn ter zitting verschenen en gehoord.

2 De beoordeling

2.1.

De schulden van [A] zijn ontstaan door een conflict met zijn vennoot, waardoor [A] failliet is verklaard. Het faillissement is mede veroorzaakt doordat [A] door een scheiding met zijn voormalig echtgenote onvoldoende aandacht aan zijn onderneming heeft kunnen besteden. Zijn schuldenlast is ruim € 300.000.

2.2.

In de beslissing van 19 juni 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat [A] te

weinig heeft afgedragen. Op dat moment was de achterstand € 10.437,84. Hierbij is nog een verplichte afdracht van vakantiegeld gekomen, waarmee de achterstand verder is opgelopen. De rechtbank heeft vervolgens de looptijd verlengd om [A] de kans te geven deze achterstand in te lopen. Dit is niet gebeurd. [A] heeft in totaal € 1.500 afgedragen. Tot op heden bedraagt de boedelachterstand € 13.408,95.

2.3.

Op grond van artikel 354 lid 1 Fw dient de rechtbank aan het einde van de Wsnp te beoordelen of [A] in de nakoming van een of meer uit de Wsnp voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en of deze tekortkoming aan [A] kan worden toegerekend.

2.4.

Bij een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling moet altijd een evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de schuldeisers en die van de schuldenaar. In gevallen waarin van een verlenging voor de schuldeisers niets valt te verwachten, kan een verlenging niet worden uitgesproken.

2.5.

Een (tweede) verlenging is in dit geval niet gerechtvaardigd. Uit niets blijkt dat [A] gedurende een verlenging wel aan zijn verplichtingen zal voldoen. [A] heeft tijdens de eerste verlenging slechts twee keer een bedrag afgedragen, terwijl hij gedurende de hele verlening een goed inkomen heeft gehad. [A] heeft gevraagd om minder (€ 500,- per maand) te mogen afdragen, maar dit verzoek werd op 20 november 2025 afgewezen. [A] heeft vervolgens ook het mindere niet afgedragen en heeft niets gereserveerd voor zijn schuldeisers.

2.6.

Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat het verzoek van [A] tot verlenging van de Wsnp niet kan worden toegewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt vast dat [A] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de Wsnp voortvloeiende verplichtgingen, zonder daarbij toepassing te geven aan artikel 354 lid 2 Fw;

3.2.

stelt vast dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal eindigen na verbindend worden van de slotuitdelingslijst,

3.3.

stelt het stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 5.206,60 en brengt dit bedrag ten laste van [A] .

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt, rechter, in samenwerking met mr. W.J. van der Lugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.

Hoger beroep tegen dit vonnis kan alleen worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak van dit vonnis.