Insolventierecht

Schulden niet te goeder trouw ontstaan door bewuste keuzes en handelen van verzoekster. Onvoldoende…

Rechtbank Midden-Nederland, 9 september 2026

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Lelystad
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
24 september 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2616090:R-RK
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6555
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Schulden niet te goeder trouw ontstaan door bewuste keuzes en handelen van verzoekster. Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster zal voldoen aan de verplichtingen (met name de inspanningsplicht) in de WSNP

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Lelystad

Rekestnummer: NL:TZ:2616090:R-RK

Vonnis van woensdag 9 september 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Samenvatting

[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank wijst het verzoek af.

1 De procedure

1.1.

De procedure bestaat uit:

- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;

- de zitting van 26 augustus 206, waarbij aanwezig waren:

- mevrouw [verzoeker] , voornoemd;

- de heer [A.] , partner van [verzoeker] ;

- de heer [B.] , schuldhulpverlener (Gemeente [plaats] );

- mevrouw [C.] , beschermingsbewindvoerder ( [bewindvoerder] ).

2 Het verzoek

2.1.

[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP). Volgens [verzoeker] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van artikel 288 lid 1 onder b en c Faillissementswet wordt een verzoek slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest en de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen.

3.2.

Uit het verzoekschrift blijkt dat [verzoeker] een totale schuldenlast heeft van € 62.593,73. Het grootste deel van de schulden is ontstaan in de periode 2023-2025, dus binnen de genoemde termijn van drie jaar. Uit het verzoekschrift blijkt verder dan in ieder geval een deel van de schulden niet te goeder trouw is ontstaan.

3.3.

Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat zij in 2023 een onderneming heeft opgericht nadat de onderbewindstelling (over het vermogen) van haar partner was opgeheven. De onderbewindstelling van haar partner werd opgeheven nadat [verzoeker] en haar partner daar zelf om hadden gevraagd. Zij vonden dat zij de schulden van de partner van [verzoeker] beter zelf konden inlossen dan met behulp van een bewindvoerder en wilde aan de voortzetting van het bewind niet meewerken. Tot dan had [verzoeker] zelf een beperkt aantal schulden. In de onderneming die vervolgens is opgezet, voerde haar partner de daadwerkelijke werkzaamheden (bestratingswerkzaamheden) uit. [verzoeker] voerde de administratie. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat de onderneming bewust op haar naam is gezet, omdat haar partner geen onderneming kon oprichten. Het gevolg van het voorgaande was niet dat er schulden werden afbetaald. De schulden van de partner zijn blijven bestaan en de schulden van [verzoeker] , waaronder een belastingschuld, zijn aanzienlijk opgelopen.

3.4.

[verzoeker] behoorde te weten dat haar partner weldegelijk beschermingsbewind nodig had. Zij moest ook weten dat het opzetten van een onderneming niet een oplossing was. Haar partner heeft een alcoholverslaving en had destijds aanzienlijke schulden. De nieuwe schulden zijn daarmee ontstaan uit een bewuste keuze en handelen van [verzoeker] en daarmee niet te goeder trouw. Dat geldt ook voor de verkeersboetes voor een totaal bedrag van ruim € 6.000,00, die volgens de schuldhulpverlening deels in 2023 zijn ontstaan en voor de twee vorderingen van tankstations uit 2024 vanwege het niet betalen van getankte brandstof. Wat dat laatste betreft heeft [verzoeker] verklaard dat niet zij maar haar partner deze vorderingen heeft veroorzaakt. Dat mag zo zijn, maar de voertuigen waarvoor is getankt stonden (blijkbaar) op naam van [verzoeker] , waarmee zij ook bewust het risico heeft aanvaard dat de gevolgen voor haar rekening kwamen.

3.5.

Schuldenaren die zijn toegelaten tot de WSNP dienen te voldoen aan een aantal verplichtingen. Een daarvan is dat de schuldenaar zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (de inspanningsplicht). Uit de verklaringen van [verzoeker] ter zitting is gebleken dat zij op dit moment niet werkt en ook niet solliciteert. Ook dit is, aldus haar verklaring een bewuste keuze van [verzoeker] . De rechtbank is niet gebleken van medische redenen waarom [verzoeker] niet in staat zou zijn om te werken. Daarom is niet voldoende aannemelijk dat [verzoeker] aan haar verplichtingen in de WSNP zal gaan voldoen, als zij daartoe werd toegelaten.

3.6.

Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek af.

Dit is de beslissing van mr. P.J. Neijt, rechter, in samenwerking met J. Kronenberg, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op woensdag 9 september 2026.

Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.