Personen- en familierecht

RM toegewezen, ondanks verweer advocaat. Terugkeer naar huis kan niet, maar er is verzet tegen huidige…

Rechtbank Midden-Nederland, 16 maart 2026

Zaakgegevens

Op 16 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
16 maart 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
C/16/608360 / FV RK 26-680
Procedure
Beschikking
Advocaat
mr. A.M.G. de Groot.
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1511
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

RM toegewezen, ondanks verweer advocaat. Terugkeer naar huis kan niet, maar er is verzet tegen huidige opname. VZ is nodig.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/608360 / FV RK 26-680

Datum uitspraak: 16 maart 2026

Beschikking rechterlijke machtiging

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

hierna: betrokkene,

wonende in [plaats 1] ,

verblijvende bij [Instelling] , [locatie] in [plaats 2] ,

advocaat: mr. A.M.G. de Groot.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 11 maart 2026 ontvangen.

1.2.

De zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

- [A.] , gedragswetenschapper;

- [B.] , de mentor van betrokkene;

- [C.] , coördinerend begeleider.

2 Het verzoek

2.1.

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van drie maanden.

2.2.

De rechtbank heeft ter zitting het verzoek tot verlenen van een voortzetting

van de inbewaringstelling (zaaknummer: C/16/608353 / FV RK 26-679) gelijktijdig behandeld.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van drie maanden. Er is voldaan aan de voorwaarden uit de Wet zorg en dwang. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een verstandelijke handicap, te weten een lichte verstandelijke beperking. Er is daarbij sprake van een evident lagere sociaal emotionele ontwikkeling en draagkracht. De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring van 19 februari 2026.

3.3.

Het gedrag dat voortvloeit uit deze handicap leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:

- levensgevaar;

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige psychische schade;

- ernstige verwaarlozing;

- maatschappelijke teloorgang.

3.4.

De mentor van betrokkene heeft uitgelegd dat de thuissituatie voorafgaand aan de opname schrijdend was waardoor zij van mening is dat een terugkeer naar huis niet meer mogelijk is. Betrokkene erkent dit zelf ook. Daarnaast heeft betrokkene veel sturing en nabijheid nodig als gevolg van de lagere sociaal emotionele ontwikkeling, waarbij met name in de nachten veel nabijheid nodig is.

3.5.

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

3.6.

De advocaat heeft namens betrokkene gepleit voor afwijzing van het verzoek, omdat er geen sprake is van verzet tegen de zorg. Betrokkene verzet zich uitsluitend tegen de locatie waar zij momenteel is opgenomen. De gedragswetenschapper heeft uitgelegd dat betrokkene niet op de huidige locatie wil verblijven en zij op dit moment dus niet vrijwillig is opgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene erkent dat zij niet meer terug kan naar haar eigen woning. Betrokkene heeft ten tijde van het onderzoek voor de medische verklaring aan de onafhankelijke arts en andere hulpverleners aangegeven dat zij niet wil worden opgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene ook nadrukkelijk aangegeven dat zij het niet eens is met de huidige opname. Op dit moment is er geen andere geschikte plek voor haar beschikbaar. De rechtbank vat voorgaande op als verzet tegen opname en verblijf.

3.7.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

3.8.

Tot slot heeft betrokkene herhaaldelijk haar onvrede geuit over de opname op de huidige locatie. De rechtbank begrijpt de wens van betrokkene om naar een andere plek te gaan – het liefst binnen de gemeente [plaats 1] – maar die was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet beschikbaar. De mentor en gedragswetenschapper hebben aangegeven dat zij zullen blijven zoeken naar een geschikte plek die aan de zorgbehoefte van betrokkene voldoet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ;

4.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 16 juni 2026.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 door mr. C.M.A.T. van der Geest, rechter, in aanwezigheid van R. Staal, griffier en op schrift gesteld op 26 maart 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.