Personen- en familierecht

Wet zorg en dwang. De enkele (al dan niet herhaalde) mededeling van een patiënt dat hij niet in een…

Rechtbank Midden-Nederland, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
C/16/613373 / FV RK 26-1575
Procedure
Beschikking
Advocaat
mr. B.A. Palm.
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4391
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet zorg en dwang. De enkele (al dan niet herhaalde) mededeling van een patiënt dat hij niet in een instelling wil verblijven, is op zichzelf onvoldoende voor rechtens relevant verzet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/613373 / FV RK 26-1575

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking rechterlijke machtiging

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[belanghebbende] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] ,

wonend en verblijvend bij [Instelling] , locatie [locatie] in [plaats] ,

advocaat: mr. B.A. Palm.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 18 juni 2026 ontvangen.

1.2.

De zitting vond plaats op 30 juni 2026. Aanwezig waren:

- [belanghebbende] , bijgestaan door zijn advocaat;

- [A.] , mentor;

  • [B.] , waarnemend gedragsdeskundige;

  • [C.] , arts verstandelijk gehandicapten;

  • [D.] , persoonlijk begeleidster.

2 Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van een jaar.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank zal het verzoek deels toewijzen en overweegt daartoe als volgt.

3.2.

Niet in geschil is dat [belanghebbende] LVB heeft in combinatie met schizofrenie. Evenmin staat ter discussie dat deze aandoeningen leiden tot ernstig nadeel, dat bestaat uit ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.

3.3.

Zorg, bestaande uit opname en het verblijf, is noodzakelijk en geschikt om die nadelen af te wenden. De hamvraag is of [belanghebbende] zich daartegen verzet. Tijdens de vorige zitting van 11 februari 2026 hebben de behandelaren gezegd dat het erop lijkt dat verzet aan het afnemen is. De rechtbank heeft toen een machtiging voor een half jaar verleend, omdat het niet ondenkbaar was dat er na dat half jaar geen sprake meer zou zijn van rechtens relevant verzet.

3.4.

Volgens het CIZ is nog steeds sprake van verzet, omdat [belanghebbende] (kennelijk enigszins consistent) zegt dat hij hier “eigenlijk niet wil wonen”. Volgens mr. Palm is het gestelde verzet te dun. Zijn cliënt is een principiële ‘neezegger’ maar werkt uiteindelijk gewoon mee.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat [belanghebbende] alleen zegt dat hij niet bij [Instelling] wil zijn. Gesteld noch gebleken is dat hij wegloopt of zelfs maar aanstalten maakt dat te doen. Dat [belanghebbende] niet bij [Instelling] wil wonen, is – anders dan het CIZ meent – op zichzelf onvoldoende om van rechtens relevant verzet te kunnen spreken. Mensen doen wel vaker dingen, die ze liever niet doen, zoals naar de tandarts gaan om een kies te laten trekken.
Belangrijker is dat de zorg die aan [belanghebbende] geboden wordt, niet zelden gepaard gaat met enige dwang. Hensen heeft uitgelegd dat dwang met name uitgeoefend moet worden bij wassen, aankleden en andere varianten van zelfzorg. De rechtbank heeft geen reden aan deze toelichting te twijfelen, in welk licht zij ook verwijst naar haar uitspraak van 11 februari 2026. Anders gezegd: zonder dwang kan de benodigde zorg niet gegeven worden. In zoverre is sprake van verzet.

3.5.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven dan een rechterlijke machtiging die hetzelfde beoogde effect hebben.

3.6.

De rechtbank zal de machtiging wederom in duur beperken, en wel tot zes maanden. Hoewel [B.] een dergelijke termijn niet passend vindt, omdat zij bij [belanghebbende] geen ontwikkeling ziet, moge zo zijn, maar de rechtbank is van oordeel dat een vinger aan de pols gehouden moet worden om te beoordelen of [belanghebbende] verzet (verder) afneemt. Alle goede bedoelingen ten spijt gaat het in zaken als de onderhavige toch om het beperken van grond- en mensenrechten.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [belanghebbende] ,

4.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 30 december 2026,

4.3.

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door mr. M.E. Heinemann, rechter, in aanwezigheid van D. Hendriks als griffier, en is op schrift gesteld op 8 juli 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.