Personen- en familierecht
Verhuizing, hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Rechtbank Midden-Nederland, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5705 · Rechtbank Midden-Nederland · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbmne-2026-5705
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/610438 / FO RK 26-517
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5705
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verhuizing, hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/610438 / FO RK 26-517
Verhuizing, hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Beschikking van 22 juli 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.P.H.C. Swarts,
tegen
[de moeder] ,
volgens de gemeentelijke basisadministratie wonende in [woonplaats] , maar feitelijk verblijvende in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. Y.L. Ramakers.
1 De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de vader, binnengekomen op 17 april 2026;
-
het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 11 juni 2026 met daarin een aantal zelfstandige verzoeken;
-
het bericht met bijlage van de vader van 19 juni 2026;
-
het verweerschrift met bijlage van de vader van 25 juni 2026 tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder.
De verzoeken zijn besproken door de meervoudige kamer van deze rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van 2 juli 2026. Daarbij waren de beide ouders met hun advocaten en de heer [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) aanwezig.
2 De belangrijke feiten
De ouders hebben met elkaar een relatie gehad.
Zij hebben samen een dochter: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.
De moeder heeft nog een zoon uit een eerdere relatie: [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
Deze procedure gaat alleen over [minderjarige 1] .
De ouders hebben aanvankelijk na de geboorte van [minderjarige 1] een aantal maanden samengewoond in [plaats] . In 2024 is de relatie tijdelijk verbroken geweest. Toen hebben de ouders een zorgregeling afgesproken. Daarna hebben partijen de relatie hersteld en is de moeder met de vader in Huis ter Heide gaan wonen.
De ouders hebben destijds, op 2 mei 2024 een zorgregeling afgesproken die inhield dat [minderjarige 1] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader. Het wisselmoment vindt plaats op vrijdag om 11.00 uur waarbij [minderjarige 1] door de oma (van vaderszijde) wordt opgehaald bij de moeder en de volgende vrijdag om 11.00 uur weer door de oma bij de moeder wordt teruggebracht.
Gedurende de samenwoning van de ouders in [plaats] verbleef [minderjarige 1] regelmatig bij de ouders van de vader, minimaal zo’n vier dagen per twee weken, maar op een gegeven moment ook een hele week per twee weken en soms zelfs langer.
De relatie tussen partijen is in maart 2026 opnieuw verbroken. Sinds 17 maart 2026 verblijft de moeder samen met [minderjarige 1] bij haar moeder in [plaats] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2026 is een provisionele voorziening getroffen en daarbij is als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat [minderjarige 1] om de week van vrijdag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de ouder waar [minderjarige 1] verblijft haar naar de andere ouder brengt.
3 De verzoeken
De vader verzoekt de rechtbank:
I. om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader in [plaats] vast te stellen;
II. een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] om de week van vrijdag 11.00 uur tot vrijdag 11.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de overdracht plaatsvindt bij [horeca gelegenheid] , dan wel een zorgregeling in goede justitie vast te stellen;
III. voor het geval de verzoeken onder I. en II. worden afgewezen, verzoekt de vader te bepalen dat de moeder met [minderjarige 1] terug moet verhuizen naar [plaats] , althans in de gemeente Zeist, en aldaar woonachtig moet zijn, binnen een maand na de te wijzen beschikking en te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij hieraan niet voldoet, dan wel een bedrag dat de rechtbank billijk acht, en zo nodig te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij verzoekt de rechtbank:
I. om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder vast te stellen;
II. aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] te verhuizen binnen een straal van 20 kilometer van de regio Roermond en Roerdalen, althans een in goede justitie te bepalen beslissing te nemen;
III. aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om een geldig identiteitsbewijs aan te vragen voor [minderjarige 1] , althans een in goede justitie te bepalen beslissing te nemen.
4 De beoordeling
De hoofdverblijfplaats en verhuizing
Conclusie
4.1 De rechtbank stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] vast bij de vader. Dit betekent dat de verzoeken van de moeder onder I. en II. worden afgewezen. De rechtbank zal de beslissing hierna toelichten.
Het wettelijk kader
De rechtbank stelt voorop dat de gezamenlijke uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] meebrengt dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats en het kinderdagverblijf van [minderjarige 1] de toestemming van de vader nodig heeft. Als de vader die toestemming niet verleent, kan de rechtbank op verzoek van de moeder hiervoor vervangende toestemming verlenen. Het verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met [minderjarige 1] naar Roermond, hangt samen met de vraag waar [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats zal krijgen. De beide ouders verzoeken de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hen vast te stellen.
Bij haar beslissing neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder in beginsel het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op een manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt in beginsel ook de vrijheid om op een andere plek met een kind te gaan wonen. Als de ene ouder het niet eens is met de verhuisplannen van de andere ouder, dan moet de rechtbank alle omstandigheden in kaart brengen en een belangenafweging maken. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen.
Omstandigheden die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad een rol kunnen spelen zijn:
-
de noodzaak om te verhuizen;
-
hoe goed de moeder de verhuizing heeft voorbereid en doordacht;
-
de voorstellen die de moeder heeft gedaan om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;
-
hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
-
hoe vaak er contact plaatsvindt tussen het kind en de vader voor en na de verhuizing;
-
de leeftijd van het kind, zijn of haar mening en in hoeverre het kind gewend is aan zijn of haar omgeving of juist aan verhuizingen;
-
de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Hoofdverblijfplaats bij de vader
De rechtbank is van oordeel dat een hoofdverblijfplaats bij de vader het meest in het belang van [minderjarige 1] is. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken blijkt dat er in de relatie van de ouders veelvuldig sprake was van conflicten en ruzies waarbij er over en weer fysiek en verbaal geweld werd gebruikt. [minderjarige 1] is hier lange tijd getuige van geweest. Uit het rapport van Veilig Thuis van 9 april 2026 volgt dat er over beide ouders grote zorgen waren. Zo signaleerde het kinderdagverblijf in een melding aan Veilig Thuis van 4 maart 2026 dat [minderjarige 1] op de dagen dat zij door de moeder werd gebracht, niet verzorgd oogde, ongekamde haren had, een bleek gezicht had en zichtbaar afgevallen was. Daarnaast oogde [minderjarige 1] gelaten en huilde zij als de moeder haar bracht. Het kinderdagverblijf ervaarde de interactie tussen de moeder en [minderjarige 1] als afstandelijk en corrigerend. Er werd weinig warmte of affectie gezien. In de melding stond verder dat [minderjarige 1] vanuit oma vrolijk en blij naar de opvang komt, en dat zij bij opa en oma goed eet, goed wordt verzorgd en schoon is.
De rechtbank vindt het daarnaast een zorg dat de moeder in het verleden de samenwoning met haar ex-partner, de vader van [minderjarige 2] , ook van de één op andere dag heeft verbroken door weg te gaan met [minderjarige 2] . De rechtbank maakt zich zorgen over een patroon dat bij de moeder is ontstaan waarbij zij een kind zonder overleg of toestemming van de andere ouder meeneemt en verhuist. De moeder heeft dit nu bij [minderjarige 1] gedaan en eerder dus ook bij [minderjarige 2] . De rechtbank vindt deze handelwijze niet in het belang van de kinderen.
Aan de andere kant is er ook reden tot zorg over de situatie van de vader. Hij heeft een geschiedenis met middelengebruik en gebruikte naar eigen zeggen tijdens de relatie met de moeder dagelijks cannabis om goed te kunnen slapen. Volgens de moeder gebruikte de vader ook harddrugs, maar de vader ontkent dit. De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat de vader weinig initiatief nam in het huishouden, veel aan het werk was, en als hij beschikbaar was had hij veel ondersteuning en aansturing nodig bij het verzorgen en opvoeden van [minderjarige 1] .
De rechtbank constateert dat de situatie in [plaats] zorgelijk was toen de ouders daar samenwoonden omdat naast de genoemde zorgen die op de ouders zelf zien en op hun onderlinge interactie, er ook sprake van was dat – volgens de grootmoeder vaderszijde - de hygiëne in de woning te wensen overliet en er sprake was van een gebrek aan structuur, ritme en regelmaat. De moeder heeft dit wel erkend, maar stelt dat de vader haar niet hielp. Een stabiele factor met betrekking tot de situatie in [plaats] was dat [minderjarige 1] voor het vertrek van de moeder naar Roermond, om de week en in sommige perioden zelfs vaker, bij de grootouders van vaderszijde verbleef en daar ook in de buurt naar het kinderdagverblijf ging waar men goed zicht had op [minderjarige 1] . De rechtbank vindt met name dit laatste een belangrijke kracht. Ook was er hulpverlening betrokken vanuit het CJG Zeist en heeft Veilig Thuis recent uitgebreid onderzoek gedaan. In Roermond is er daarentegen nog geen zicht op de situatie bij de moeder (en grootmoeder moederszijde) thuis en op hoe het daar met [minderjarige 1] gaat. Hoewel Veilig Thuis Roermond betrokken lijkt te zijn, is duidelijk dat het CJG in Roermond pas in september 2026 gaat onderzoeken hoe de opvoedsituatie van [minderjarige 1] bij de moeder is. De rechtbank vindt dit gelet op de genoemde zorgen te laat. Ook omdat de moeder stelselmatig hulpverlening niet, of onvoldoende aanvaardt. Zo blijkt uit het rapport van Veilig Thuis dat het Opstapje eerder betrokken is geweest bij de ouders, maar dat de begeleiding daarvan is gestopt in december 2025 omdat de moeder na het vertrek van de betrokken hulpverlener geen andere hulpverlener wilde. Verder volgt uit dit rapport dat de GGD-verpleegkundige op het consultatiebureau heeft verteld dat zij zorgen had over [minderjarige 1] groei, lengte en gewicht en haar bleke gezicht en dat zij vaak verkouden was, waarna zij is doorverwezen naar een kinderarts. Er is vervolgens ooit een afspraak geweest maar vervolgafspraken zijn volgens de verpleegkundige niet nagekomen door de moeder. De moeder heeft dit op de zitting weliswaar bestreden, maar zij heeft dit niet onderbouwd. Verder bestonden er ook zorgen over de taal- en spraakontwikkeling van [minderjarige 2] waarvoor de moeder is verwezen naar Kentalis, maar de moeder is daar volgens de verpleegkundige evenmin geweest. Tenslotte is de moeder op 17 maart 2026, de dag na het gesprek met Veilig Thuis over de zorgen die Veilig Thuis had over [minderjarige 1] en over de spanningen en conflicten tussen de ouders, hals over kop met [minderjarige 1] naar Roermond vertrokken. Het is belangrijk dat er nu zo snel mogelijk gestart kan worden met de hulpverlening, zoals de ambulante spoedhulp die Veilig Thuis in maart 2026 wilde inzetten. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank op dit moment het meest in het belang van [minderjarige 1] dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader is in [plaats] . Dit betekent dat het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij haar vast te stellen, wordt afgewezen.
De moeder krijgt geen toestemming om met [minderjarige 1] naar Roermond te verhuizen
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing naar Roermond niet in het belang van [minderjarige 1] is. Allereerst omdat de moeder de verhuizing niet goed heeft voorbereid en doordacht. Zij is zonder overleg met de vader en de betrokken hulpverlening naar Roermond verhuisd met [minderjarige 1] . In Roermond heeft de moeder nog geen eigen huisvesting en verblijft zij bij haar moeder. Daarnaast heeft de moeder de noodzaak voor de verhuizing onvoldoende onderbouwd. Dat tussen ouders sprake was van spanningen en ruzies betekent niet dat de moeder op zo’n grote afstand van de vader moest gaan wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat zij in de buurt van Huis ter Heide geen andere woning zou kunnen vinden. Verder heeft de verhuizing een grote impact op het contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Hoewel er nu nog uitvoering gegeven kan worden aan de co-ouderschapsregeling, zal dat volgend jaar anders zijn zodra [minderjarige 1] naar school gaat. Door de verhuizing naar Roermond wordt de afstand tussen de vader en [minderjarige 1] zodanig vergroot dat co-ouderschap niet meer haalbaar is en [minderjarige 1] haar vader dus veel minder zou kunnen zien. Daar komt bij dat [minderjarige 1] als gevolg van de verhuizing ook belangrijke hechtingsfiguren zoals de opa en oma (vz) zal moeten missen, terwijl die tot de verhuizing een zeer grote rol hebben gespeeld in haar verzorging en opvoeding. De rechtbank vindt dit niet in haar belang. Bovendien zijn de ouders niet in staat om goed met elkaar te communiceren, wat het nog moeilijker maakt om het contact tussen de vader en [minderjarige 1] in stand te houden. Tot slot brengt de grote afstand mee dat er hoge kosten verbonden zijn aan de omgang. Dit terwijl beide ouders het financieel niet breed hebben en de vader onder bewind staat.
Terugverhuizing
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de moeder zal moeten terugverhuizen naar de omgeving van [plaats] , omdat zij geen toestemming krijgt om te verhuizen met [minderjarige 1] naar Roermond. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem wordt vastgesteld en een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, de rechtbank niet hoeft te bepalen dat de moeder moet terugverhuizen. De rechtbank wijst daarom het (voorwaardelijke) verzoek van de vader onder III. af.
Wijziging zorgregeling
Conclusie
De rechtbank zal de zorgregeling als volgt wijzigen en dit hierna toelichten:
-
[minderjarige 1] verblijft de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder;
-
waarbij het wisselmoment is op vrijdag om 11.00 uur en de ouder bij wie [minderjarige 1] verblijft haar naar de andere ouder brengt.
De toelichting
Bovenstaande zorgregeling vindt de rechtbank op dit moment het meest in het belang van [minderjarige 1] . De afgelopen periode heeft [minderjarige 1] ook om de week bij beide ouders verbleven en dit verliep goed. In de week dat [minderjarige 1] bij de vader zou verblijven heeft hij haar verzorging samen met zijn ouders zo vormgegeven dat [minderjarige 1] bij haar grootouders verblijft op de dagen waarop de vader werkt. In het weekend slaapt [minderjarige 1] bij hem thuis. Uit het rapport van Veilig Thuis blijkt dat de ouders van de vader een goede invloed hebben en goed voor [minderjarige 1] kunnen zorgen. De rechtbank ziet dit dan ook als kracht en vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat zij ook een rol in de opvoeding en verzorging voor [minderjarige 1] op zich kunnen blijven nemen. Anders dan de moeder stelt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader onder begeleiding plaats te laten vinden. Zoals hiervoor is beschreven waren er tijdens de relatie tussen de ouders over en weer zorgen over huiselijk geweld gericht op elkaar en niet op de kinderen. Nu de relatie tussen de ouders over is, heeft de rechtbank geen zorgen meer over huiselijk geweld. Verder heeft de vader op de zitting verklaard dat hij niet meer blowt sinds de moeder vertrokken is. Dat is hem gelukt doordat de spanningen in huis verdwenen zijn en hij blowde om zijn spanningen te reguleren en te kunnen slapen. De vader merkt dat hij dingen sindsdien beter voor elkaar krijgt en dat zijn werk beter gaat. Hij wil dan ook niet meer blowen. De rechtbank heeft, mede gelet op het gegeven dat [minderjarige 1] meer bij de grootouders verblijft dan bij de vader, geen overwegende zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] bij de vader. Voor begeleide omgang met de vader is daarom geen aanleiding.
Het wisselmoment
De beide ouders hebben tijdens de zitting verklaard dat zij het wisselmoment op vrijdag om 11.00 uur prettiger vinden dan om 16.00 uur, zodat [minderjarige 1] rustig kan avondeten. De rechtbank vindt dit ook in haar belang en zal daarom vaststellen dat het wisselmoment plaatsvindt om 11.00 uur op vrijdag. Daarnaast hebben de ouders verklaard dat zij de afgelopen weken [minderjarige 1] hebben gebracht naar de andere ouder thuis en dat dit goed is verlopen. De rechtbank vindt het positief dat het de ouders lukt om hier op een goede manier uitvoering aan te geven. De rechtbank stelt daarom vast dat de ouder waar [minderjarige 1] verblijft haar naar de andere ouder brengt.
Hoe verder?
De rechtbank adviseert de ouders om samen en met begeleiding van de betrokken hulpverlening van het CJG Zeist goede afspraken te maken over de verdeling van de zorg vanaf het moment dat [minderjarige 1] naar school gaat. Daarbij benadrukt de rechtbank dat het belangrijk is dat [minderjarige 1] goed contact heeft en houdt met haar beide ouders.
Informatieregeling
Tijdens de zitting hebben de ouders afgesproken dat de ouder waar [minderjarige 1] verblijft de andere ouder op woensdag per e-mail informeert over hoe het met [minderjarige 1] gaat. Daarbij wordt ook een foto meegestuurd van [minderjarige 1] . De rechtbank vindt het positief dat de ouders deze afspraak hebben gemaakt in het belang van [minderjarige 1] . Omdat er geen verzoek is ingediend over de informatieregeling kan de rechtbank deze afspraak niet opnemen in de beslissing, maar de ouders zijn hier onderling wel aan gebonden.
Vervangende toestemming identiteitsbewijs
De moeder heeft tijdens de zitting het verzoek over het identiteitsbewijs van [minderjarige 1] ingetrokken, zodat de rechtbank daarover geen beslissing meer hoeft te nemen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing meteen moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De rechtbank vindt het belangrijk dat de beslissing meteen geldt omdat het voor [minderjarige 1] duidelijk moet zijn waar zij woont en hoe de zorgregeling eruit ziet. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] dat de uitvoering van deze beslissing nog verder wordt uitgesteld. Gelet op de genoemde zorgen over [minderjarige 1] is het bovendien belangrijk dat er snel hulpverlening kan worden ingezet in de gemeente van de vader.
5 De beslissing
De rechtbank:
stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] vast bij de vader;
wijzigt de zorgregeling en stelt deze als volgt vast:
-
[minderjarige 1] verblijft de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder;
-
waarbij het wisselmoment is op vrijdag om 11.00 uur en de ouder bij wie [minderjarige 1] verblijft haar naar de andere ouder brengt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Banga (voorzitter), mr. G.L.M. Urbanus en mr. N.J.W.G. Simons, kinderrechters, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |