Personen- en familierecht

Afwijzing verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling. Geen noodzaak om de GI te vervangen.

Rechtbank Midden-Nederland, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/16/613163 / JE RK 26-889
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5710
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling. Geen noodzaak om de GI te vervangen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/16/613163 / JE RK 26-889

Datum uitspraak: 22 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over de vervanging van de gecertificeerde instelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. L.T.C.M. Geurts,

[de oma] ,

hierna te noemen de oma,

wonende in [woonplaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026;

  • het bericht met bijlagen van de moeder van 21 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met mr. R. Shahbazi, waarnemer voor de advocaat;

  • de oma;

  • [A.] en [B.] , namens de GI;

  • [C.] , namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming- en Reclassering (hierna: de WSSJ).

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

Sinds juli 2024 wonen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gedeeltelijk bij de moeder en gedeeltelijk bij de oma. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven van woensdag tot en met zondag bij de moeder, de overige dagen verblijven zij bij de oma.

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 februari 2024 [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 18 maart 2026 tot 9 februari 2027.

2.4.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 juli 2024 een machtiging verleend om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een (deeltijd)netwerkpleeggezin, te weten de oma. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de oma is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 9 februari 2027.

2.5.

Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft de Meervoudige Kamer in deze rechtbank het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling afgewezen.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSSJ) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Vanwege de LVB-diagnose denkt de GI dat de WSSJ beter aansluit bij de begeleidingsbehoefte van de moeder.

4 De standpunten

4.1.

De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI. De huidige GI is al langer bij het gezin betrokken en de samenwerking tussen hen verloopt goed. Omdat de hulpverlening binnen het gezin goed verloopt, is de rol van de GI op dit moment beperkt en zal naar verwachting worden toegewerkt naar het vrijwillige kader. De moeder ziet daarom geen meerwaarde in een overdracht naar een andere GI. Een wisseling van de GI kan juist leiden tot onrust en onduidelijkheid binnen het gezin en is daarom niet in het belang van de kinderen. De moeder wil niet het risico lopen dat de hulpverleningstrajecten door een overdracht vertraging oplopen.

4.2.

De oma is het niet eens met het verzoek van de GI. Het gaat op dit moment heel goed met de kinderen en er is rust ontstaan in het systeem.

4.3.

De WSSJ is bereid om de ondertoezichtstelling over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit te voeren. Er is op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, dus de huidige hulpverleningstrajecten zullen eens in de drie maanden door het bereikbaarheidsteam worden gemonitord. De lijn die door de GI is ingezet, zal door de WSSJ worden voortgezet.

5 De beoordeling

De beslissing

5.1.

De kinderrechter zal het verzoek van de GI tot vervanging van de gecertificeerde

instelling afwijzing. De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

De toelichting

5.2.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:259 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belast ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

5.3.

De GI heeft al eerder een verzoek gedaan tot vervanging van de gecertificeerde instelling. Dat verzoek is bij beschikking van 18 maart 2026 door de Meervoudige Kamer afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel was dat er geen noodzaak bestaat om de GI te vervangen. Op basis van de stukken en de zitting ziet de kinderrechter op dit moment opnieuw geen noodzaak om de GI te vervangen voor de WSSJ. De begeleiding vanuit de WSSJ zou weliswaar passend zijn vanwege de problematiek van de moeder. Tegelijkertijd is er inmiddels een goede en duurzame samenwerking tussen de GI en de moeder ontstaan. Ook zijn er duidelijke afspraken over de gedeelde opvoeding door de oma en de moeder en loopt de hulpverlening vanuit Gezinscoaching [naam] positief. De moeder werkt hier actief aan mee, staat open voor gesprekken en komt de afspraken na. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat de GI het komende halfjaar gaat onderzoeken of het mogelijk is om de ondertoezichtstelling af te ronden en de hulpverlening over te dragen naar het vrijwillige kader. De kinderrechter heeft betrokkenen in overweging gegeven na te denken of een gezamenlijk gezag op grond van 1:253t BW van moeder en oma passend zou kunnen zijn. Gelet hierop vindt de kinderrechter het niet wenselijk om op dit moment een andere GI aan te wijzen. Bovendien is bij de WSSJ momenteel nog steeds geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, waardoor de WSSJ komende maanden beperkt betrokken zal zijn. De vertegenwoordiger van de WSSJ heeft tijdens de zitting aangegeven dat de hulpverlening zal worden gemonitord en dat voor vragen contact kan worden opgenomen met de medewerkers van de bureaudienst. Een overdracht naar de WSSJ zou daarom geen toegevoegde waarde hebben en mogelijk alleen maar leiden tot onrust en onduidelijkheid.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijs het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.S. Bamberg als griffier, en op schrift gesteld op 28 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).