Personen- en familierecht
Ambtshalve herstelbeschikking. De rechtbank merkt op dat er een geen opvolgende zorgmachtiging had kunnen…
Rechtbank Midden-Nederland, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5758 · Rechtbank Midden-Nederland · 23 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbmne-2026-5758
Zaakgegevens
Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/16/612640 / FV RK 26-1462
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T.S. Kessel.
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5758
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ambtshalve herstelbeschikking. De rechtbank merkt op dat er een geen opvolgende zorgmachtiging had kunnen worden verleend, omdat er niet binnen 3 weken na ontvangst van het verzoek is beslit.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/612640 / FV RK 26-1462
Herstelbeschikking van 23 juli 2026,
- bijlage bij de beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2026 met bovenvermeld zaaknummer,
in de zaak van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. T.S. Kessel.
1 De verdere procedure
De rechtbank heeft geconstateerd dat er in de beschikking van 7 juli 2026 sprake is van een kennelijke fout. De rechtbank heeft partijen hierover geïnformeerd en heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen van de rechtbank om deze kennelijke fout te verbeteren middels een herstelbeschikking. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen dit voornemen.
2 De beoordeling
De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in zijn beschikking verbeteren. Van een kennelijke fout is sprake als voor partijen en anderen direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. Verder moet het gaan om een fout die eenvoudig te herstellen is.
De rechtbank vindt dat in dit geval sprake is van een dergelijke kennelijke fout die eenvoudig te herstellen is. In de eerdere beschikking staat namelijk onder punt 3.1. dat de rechtbank de gevraagde machtiging verleent voor de duur van twaalf maanden, waar had moeten staan dat de rechtbank de gevraagde machtiging verleent voor de duur van zes maanden. Daarnaast staat in de eerdere beschikking onder punt 4.2. als einddatum van de zorgmachtiging vermeld 7 juli 2027, waar had moeten staan 7 januari 2027. De rechtbank zal de eerdere beschikking daarom verbeteren als hierna weergegeven en licht dit als volgt toe.
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.
In dit geval was de lopende zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden verleend tot en met uiterlijk 17 juni 2026. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging op 5 juni 2026, en dus vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, ingediend. De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 26 juni 2026) beslissen (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Daardoor is de lopende machtiging op 18 juni 2026 van rechtswege vervallen.
De op 7 juli 2026 verleende zorgmachtiging sluit derhalve niet aan op de eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden, maar slechts voor de duur van zes maanden.
3 De beslissing
De rechtbank:
verbetert de beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2026 (met bovenvermelde zaakgegevens) in die zin, dat de volgende tekst in die beschikking onder punt 3.1.:
“De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden.”
wordt veranderd in:
“De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden.”
verbetert de beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2026 (met bovenvermelde zaakgegevens) in die zin, dat de volgende tekst in die beschikking onder punt 4.2.:
“bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 juli 2027.”,
wordt veranderd in:
“bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 januari 2027.”;
bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van deze beschikking wordt vermeld op de minuut van de beschikking van 7 juli 2026,
geeft partijen de opdracht, voor zover zij dit nog niet hebben gedaan, de ontvangen grosse van de beschikking van 7 juli 2026 na ontvangst van deze herstelbeschikking aan de griffie van de rechtbank terug te sturen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. C.M.A.T. van der Geest, rechter, in samenwerking met R. Staal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.