Verbintenissenrecht

Nachtverlaging stadsverwarming. Belang van de individuele huurder bij mogelijkheid dag en nacht zijn woning…

Rechtbank Midden-Nederland, 12 januari 2022

Zaakgegevens

Op 12 januari 2022 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
12 januari 2022
Datum publicatie
10 januari 2022
Zaaknummer
9171944
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:40
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Nachtverlaging stadsverwarming. Belang van de individuele huurder bij mogelijkheid dag en nacht zijn woning gelijkmatig te verwarmen tegenover belang van verhuurder bij laag houden energieverbruik en -kosten

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9171944 UC EXPL 21-3165 QR/46974

Vonnis van 12 januari 2022

inzake

de stichting

Stichting Bo-Ex '91,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Bo-Ex,

eisende partij,

gemachtigde: mr. S.P.J. Visser,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. I.J. Penning.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie en provisionele vordering;

- de conclusie van antwoord in reconventie en in het incident;

- de aanvullende producties van Bo-Ex van 2 december 2021.

1.2.

Op 7 december 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Bo-Ex heeft tijdens de zitting pleitaantekeningen overgelegd.

1.3.

[gedaagde] en zijn gemachtigde hebben de laatste oproep, inhoudende dat de zitting via Skype for Business zou verlopen, niet ontvangen. De kantonrechter heeft voorgesteld dat [gedaagde] en zijn gemachtigde in de zittingszaal aanwezig zullen zijn en Bo-Ex via Skype for Business deel zal nemen aan de zitting. Partijen hebben met het voorgaande ingestemd.

Via Skype For Business waren aanwezig:

  • De heer mr. A.M.F. Keijzer, gemachtigde van eiser;

  • Mevrouw [A] , werkzaam bij ISTA NL (het bedrijf dat onder andere de verbruiksafhankelijke afrekening van energie verzorgt voor Bo-Ex);

  • De heer [B] , [functie] van Bo-Ex.

Fysiek in de zittingszaal waren aanwezig:

  • De heer [gedaagde] , gedaagde;

  • Mevrouw mr. R. Vermeer, gemachtigde van gedaagde.

1.4.

Besloten is dat vandaag de uitspraak zal zijn.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[gedaagde] heeft een huurovereenkomst gesloten met Bo-Ex betreffende een woning, gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning), in een complex (hierna: het complex) dat wordt verwarmd door middel van stadsverwarming. Naast de huurprijs van € 481,42 is [gedaagde] ook een vergoeding verschuldigd voor de in verband met de bewoning geleverde zaken en diensten. Een van de onderdelen daarvan is de levering van energie ten behoeve van de verwarming. De kosten van verwarming worden bij wege van voorschotheffing in rekening gebracht, waarbij jaarlijks afrekening plaatsvindt. Het voorschot warmtekosten bedraagt op dit moment € 61,00 per maand.

2.2.

Bo-Ex maakt in het complex gebruik van de mogelijkheid de aanvoertemperatuur voor warmte vanuit de stadsverwarming gedurende de nacht te verlagen: de zogenoemde nachtverlaging. [gedaagde] stelt dat Bo-Ex door de nachtverlaging door te voeren tekortschiet in haar verplichtingen om een deugdelijk verwarmde woning te leveren en is om die reden gestopt met het betalen van het voorschot warmtekosten en beroept zich op zijn recht de betalingsverplichtingen op te schorten. Hij wil ‘s nachts zijn woning net zo kunnen verwarmen als overdag. [gedaagde] stelt dat hij hier belang bij heeft, omdat hij sinds een ongeluk in 2015 kampt met een slaapstoornis. Hierdoor is zijn dag- en nachtritme is omgedraaid.

2.3.

Bo-Ex is het niet eens met de inhouding van de maandelijkse voorschotheffing door [gedaagde] . Op het moment dat [gedaagde] de een huurovereenkomst sloot met Bo-Ex voor de woning, wist hij dat er stadsverwarming in zat en was al sprake van nachtverlaging. Die is achteraf bezien tijdelijk buiten werking geweest, maar [gedaagde] wist wat hij kon verwachten. De nachtverlaging in het complex zorgt ervoor dat tussen 24.00 uur en 06.00 uur de aanvoertemperatuur voor warmte lager is, maar ook ’s nachts kan volgens Bo-Ex een minimumtemperatuur van 17 graden worden geleverd. Door gebruik te maken van de nachtverlaging kan Bo-Ex de kosten van verwarming en dus de woonlasten voor de bewoners van het complex zo laag mogelijk houden. Bo-Ex is een sociale verhuurder en vindt het daarom belangrijk dat de woonlasten voor haar bewoners zo laag mogelijk blijven. Bo-Ex heeft zich daartoe ook verbonden. In artikel 5.5 van de bij de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Algemene Huurvoorwaarden staat namelijk:

“Verhuurder zal zich naar redelijkheid inspannen om de servicekosten (waaronder ook de stookkosten voor zover die via verhuurder worden geleverd) voor de huurders zoveel mogelijk te beperken mits aan zekere kwaliteitseisen is voldaan. Zij maakt deze kosten inzichtelijk voor de huurders en zoekt naar leveranciers (op basis van collectieve contracten) die voldoen aan de kwaliteitseisen van de verhuurder met de laagste kosten en een goede service”.

Het opheffen van de nachtverlaging is een wijziging in de levering van zaken of diensten in de zin van artikel 7:261 lid 2 BW. Dit betekent dat voor het doorvoeren van die wijziging overeenstemming moet zijn met ten minste 70% van de huurders. Bo-Ex kan dit dus niet zomaar aanpassen. Bo-Ex heeft onderzoek laten doen naar de temperatuur(schommelingen) in de woning van [gedaagde] door [C] van [D] (hierna: [D] ) die zijn bevindingen heeft gemaild naar Bo-Ex. Daaruit kan volgens Bo-Ex worden opgemaakt dat de temperatuurschommelingen in de woning mede worden veroorzaakt door de manier waarop [gedaagde] de woning bewoont en de thermostaatkranen gebruikt.

2.4.

Bo-Ex vordert - samengevat –;

  • betaling van de achterstand in de voorschotbijdrage die op het moment van dagvaarden € 481,42 bedroeg, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • betaling van de incassokosten;

  • de periodieke betaling van de voorschotbijdragen van € 61,00 per maand;

  • met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.5.

[gedaagde] voert verweer, concludeert tot afwijzing van de vordering en vordert in reconventie – samengevat -:

  • Bo-Ex te veroordelen het gebrek in de warmtelevering in de woning te herstellen, zodat de temperatuur in de woning dag en nacht minimaal 19 graden Celsius kan zijn;

  • de huur in verband met het gederfde woongenot te verlagen met 40%, totdat het gebrek is hersteld;

  • Bo-Ex te veroordelen tot terugbetaling van de, als gevolg van de gevorderde huurverlaging, te veel betaalde huur.

Daarnaast heeft [gedaagde] gevorderd Bo-Ex op grond van artikel 834a Rv te veroordelen om, op straffe van een dwangsom, binnen een week na betekening van het door de kantonrechter te wijzen vonnis het rapport van [D] te overleggen, inclusief een uitdraai van de uitkomsten van de meetapparatuur.

2.6.

[gedaagde] had per e-mail van 10 april 2020 aan Bo-Ex laten weten dat hij geen gebruik meer wilde maken van de levering van warmte via de stadverwarming, dat gebruik opgezegd en heeft gevraagd om een deugdelijk alternatief. Hierop is [gedaagde] tijdens de zitting teruggekomen. De kantonrechter zal die opzegging dus verder buiten beschouwing laten en gaat ervan uit dat Bo-Ex tot heden gehouden was conform de huurovereenkomst warmte te (doen) leveren. De verplichting tot warmtelevering dient aldus geacht te zijn doorgelopen. Tijdens de zitting is afgesproken dat [gedaagde] met ingang van de eerstvolgende betalingsperiode de maandelijkse voorschotheffing weer zal voldoen.

3 Het oordeel van de kantonrechter

3.1.

De kern van de zaak is wat [gedaagde] qua verwarming van zijn woning van Bo-Ex als verhuurder mag verwachten gedurende de nachtelijke uren. Partijen hebben ter onderbouwing van hun stelling op dit punt weinig naar voren gebracht. Kort gezegd komt het standpunt van [gedaagde] erop neer dat hij ‘s nachts recht heeft op dezelfde soort verwarmingsmogelijkheden als overdag. Bo-Ex is het hier niet mee eens, omdat dat ten koste zou gaan van de belangen van de andere huurders in het complex. Volgens Bo-Ex zou dat leiden tot een verhoging van de servicekosten, omdat het meer geld kost om ’s nachts de leidingen op een temperatuur van 21 graden Celsius te houden dan op een temperatuur van 17 graden Celsius. Zonder nachtverlaging zal dus de omslag van de algemene kosten over alle huurders in het complex hoger uitkomen. Bovendien ziet Bo-Ex een maatschappelijke taak voor zichzelf om de randvoorwaarden te scheppen voor een meer milieuvriendelijk energieverbruik van haar huurders.

3.2.

Partijen hebben over en weer ter onderbouwing van hun stellingen voornamelijk aansluiting gezocht bij artikel 7:261 lid 2 BW en artikel 7:204 BW. Voor het toetsingskader ziet de kantonrechter echter aanleiding aansluiting te zoeken bij het gebrekenboek van de Huurcommissie (hierna het gebrekenboek). Daarin is namelijk landelijk beleid opgenomen waaruit kan worden opgemaakt wanneer een probleem in de warmtetoevoer kan worden beschouwd als een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. In het gebrekenboek staat bij een gebrek van de categorie C2 vermeld:

“een verwarmingsinstallatie die onvoldoende warmteaangifte in één of meer verwarmde vertrekken van de woonruimte levert zodat adequate verwarming voor het gebruik waartoe dat vertrek of die vertrekken bestemd is of zijn, niet mogelijk is. De temperatuur moet kunnen worden behaald die is berekend ten tijde van de aanleg van de installatie. Als minimale eis wordt echter aangehouden de rond 1960 geldende normering, ook als de installatie vóór 1960 reeds is aangelegd. Deze normering bedroeg voor het hoofdwoonvertrek 20 graden Celsius, de badruimte 22 graden Celsius, de keuken 15 graden Celsius en de overige verblijfsruimten 12 graden Celsius”.

De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling de hier genoemde temperaturen per ruimte als uitgangspunt nemen.

3.3.

Uit de in punt 3.2 geciteerde omschrijving kan niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van een gebrek als gedurende de nachtelijke uren de voorgeschreven temperaturen niet kunnen worden gehaald - door in dit geval de nachtverlaging. De vereiste minimumtemperaturen hangen namelijk samen met een adequate verwarming voor het gebruik waartoe de vertrekken bestemd zijn. Dit gebruik bepaalt mede wat een huurder wel of niet kan verwachten. Daarbij is niet van doorslaggevend belang wat het verwachtingspatroon is geweest van de [gedaagde] en zijn specifieke gebruik van de vertrekken in de woning, maar wat een doorsnee huurder mocht verwachten van diens gebruik van de vertrekken in de woning. In artikel 7:204 lid 2 BW wordt namelijk een zelfstandige objectieve norm gegeven die uitgaat van het verwachtingspatroon van de doorsnee huurder. Voor wat de doorsneehuurder mag verwachten is het volgende van belang.

3.3.1.

De doorsnee huurder zal ’s nachts op bed liggen en dus niet gebruik maken van het woonvertrek, omdat gebruik van dit vertrek in de regel overdag gebeurt. Lastiger ligt het al voor het gebruik van de bad- en doucheruimte. Die pleegt in de regel in ieder geval te worden gebruikt aan het begin van de (werk)dag of voor het slapengaan. Dat betekent dat een temperatuur van 22 graden Celsius in de badruimte haalbaar zou moeten zijn op de tijdstippen waarop naar bed gaat en/of opstaat en van de badruimte gebruik maakt.

3.3.2.

Inmiddels leven we in een 24-uursmaatschappij. Wanneer een werkdag begint of eindigt kan dus variëren. Voor de nachtelijke periode kan naar het oordeel van de kantonrechter in principe worden aangesloten bij de temperatuur die in het Gebrekenboek bij de slaapkamer is vermeld, te weten 12 graden Celsius, maar moet dus ook rekening worden gehouden met het feit dat de werkdag laat kan eindigen en vroeg kan beginnen. Als iemand nachtdienst heeft mag ervan worden uitgegaan dat hij gedurende de nachtelijke periode grotendeels van huis is en dus thuis geen verwarming nodig heeft. Het feit dat in incidentele gevallen het dag- en nachtritme volledig verstoord is (zoals [gedaagde] stelt dat bij hem het geval is), is niet iets wat de verhuurder als uitgangspunt bij het leveren van verwarming en het voldoen aan haar verplichtingen op dit punt, hoeft mee te nemen.

Kan met de nachtverlaging de vereiste minimumtemperatuur worden gehaald? Dat is nog niet helemaal duidelijk.

3.4.

De vraag is of aan de randvoorwaarden die in punt 3.3. zijn weergegeven in het complex wordt voldaan, omdat uit de rapportage van [D] blijkt dat tussen 24:00 uur en 06:00 uur maximaal 17 graden Celsius haalbaar is. Dat is de kantonrechter niet helemaal duidelijk, met name omdat partijen daar hun standpunten niet op hebben ingericht. De standpunten zijn vooral gericht op de volgende zwart-wit benadering.

3.4.1.

[gedaagde] vordert Bo-Ex te veroordelen de nachtverlaging op te heffen of zodanig te herstellen dat de temperatuur in zijn volledige woning 24 uur per dag minimaal 19 graden Celsius kan zijn. Die vordering lijkt in zijn algemeenheid niet toewijsbaar, omdat een doorsnee huurder niet hoeft te verwachten dat zijn volledige woning dag en nacht op 19 graden Celsius gestookt kan worden.

3.4.2.

De kantonrechter begrijpt dat Bo-Ex zich onder verwijzing naar jurisprudentie op het standpunt stelt dat de nachtverlaging ook toegestaan zou moeten zijn als de minimumtemperaturen als genoemd in het gebrekenboek niet worden gehaald, omdat die minimum temperaturen zijn vastgesteld in 1960. Inmiddels wordt volgens Bo-Ex op een andere wijze naar energieverbruik gekeken dan destijds. Daarbij moet dan volgens Bo-Ex worden meegenomen dat van een huurder mag worden verwacht dat hij zelf zorgt voor bijverwarming, als hij behoefte heeft aan meer warmte dan bij nachtverlaging mogelijk is.

3.5.

Om een afgewogen oordeel te geven of sprake is van een gebrek, heeft de kantonrechter echter behoefte aan een nadere toelichting op de werking van de nachtverlaging bij de verwarming in dit specifieke complex en de besparingen die in financiële en milieutechnische zin daarbij horen, bezien vanuit hetgeen een doorsnee huurder aan verwarming mag verwachten (zie punt 3.3.). Uit de memorie van toelichting bij de Warmtewet volgt namelijk dat de verbruiker op de door hem gewenste momenten de beschikking dient te hebben over de door hem gevraagde hoeveelheid warmte overeenkomstig de daarvoor geldende technische prestaties.

Kan wijziging van de nachtverlaging van Bo-Ex worden verwacht?

3.6.

Als met de nachtverlaging niet lijkt te kunnen worden voorzien in de behoeften van de doorsneehuurder, is voor de beoordeling van de vordering (mede gezien het bepaalde in artikel 7:261 lid 2 BW) en de gewijzigde inzichten op energieverbruik, naar het oordeel van de kantonrechter relevant of de nachtstand alleen ten aanzien van het gehele complex kan worden opgeheven en wat daarvan dan de financiële consequenties zouden zijn voor de huurders. Ook daarover is het nodige onduidelijk om de volgende redenen.

3.6.1.

[gedaagde] stelt dat toen hij in 2018 in de woning introk van enige nachtverlaging geen sprake was en dat dat pas merkbaar is geworden in 2020. Op dit punt heeft [B] , [functie] van Bo-Ex, toegelicht dat de nachtverlaging inderdaad een tijd kapot (en dus uitgeschakeld) is geweest. Gedurende welke periode dat is geweest kon [B] niet zeggen, maar hij denkt dat de nachtverlaging maximaal één jaar uitgeschakeld kan zijn geweest omdat de installatie jaarlijks wordt gekeurd. Het gebrek zou bij een keuring volgens [B] zeker zijn opgevallen. Bij [gedaagde] , als individuele huurder, was volgens [A] sprake van een hoger warmteverbruik in de stookjaren 2018 en 2019 vergeleken met 2020. Over alle huurders was echter in de jaren 2018, 2019 en 2020 geen verschil in stookkosten waarneembaar volgens [A] . Het voorgaande zou kunnen betekenen dat het uitschakelen van de nachtverlaging tot het gevolg zou kunnen leiden dat de omslag van het verbruik van warmte gelijk blijft, zoals ook in de periode dat de nachtverlaging stuk bleek kennelijk het geval was, en enkel de individuele gebruikskosten zouden kunnen stijgen omdat dan meer huurders, zoals [gedaagde] , in de nachtelijke periode warmte zouden kunnen gaan gebruiken als zij dat willen.

3.6.2.

Dat dit het geval zou kunnen zijn volgt ook uit de toelichting van [A] op de verrekening van de energiekosten: in het complex worden geen omslagkosten over de huurders verdeeld, maar wordt berekend wat de huurders individueel aan warmte afnemen door middel van een meter op de radiator in de woningen. Het verbruik wordt vervolgens één-op-één doorberekend.

3.6.3.

[B] heeft op de zitting zijn twijfels geuit over deze manier van doorberekening van de stookkosten en heeft daarbij gezegd dat het hoogst ongebruikelijk is dat uitschakelen van de nachtverlaging niet zal leiden tot hogere omslagkosten voor alle huurders in het complex. Zekerheid over de vraag of het uitschakelen van de nachtverlaging tot hogere omslagkosten zou leiden kon echter niet worden gegeven.

3.7.

Dat betekent dat de kantonrechter er rekening mee moet houden dat het uitschakelen van de nachtverlaging alleen tot hogere individuele verbruikskosten zou kunnen leiden. Zolang het verbruik alleen maar ten laste komt van de individuele huurders, lijkt de kantonrechter dat niet zonder meer een probleem en is ook op voorhand niet duidelijk dat Bo-Ex een maatschappelijke plicht heeft het individuele energiegebruik van huurders te sturen op de manier zoals zij doet met de nachtverlaging, terwijl er specifieke behoeftes zijn waarin tegemoet zou kunnen worden gekomen.

Conclusie

3.8.

De kantonrechter acht zich, het geheel overziende, niet voldoende geïnformeerd om een eindbeslissing te nemen, omdat zij onvoldoende informatie heeft gekregen over de werking van de nachtverlaging en de consequenties van de eventuele uitschakeling daarvan. De kantonrechter heeft behoefte aan een nadere toelichting van de Bo-Ex op de volgende punten:

  1. Tot welke temperatuur dalen de verblijfsruimtes in de woningen in het gebouwencomplex daadwerkelijk tijdens de nachtverlaging en hoe kan dit worden aangetoond?

  2. Wat zijn de financiële en milieutechnische consequenties voor de huurders in het complex als geen nachtverlaging wordt toegepast?

  3. Wat zijn de financiële en milieutechnische consequenties voor de huurders in het complex als de nachtverlaging zo wordt ingesteld dat een temperatuur van 19 graden Celsius in de verblijfruimtes woning haalbaar is?

  4. Is er een verschil in temperatuur van de verblijfsruimtes van de woningen die dicht bij het verdeelpunt van de warmte zitten in vergelijking met de woningen die daar het verst van verwijderd zijn?

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 februari 2022 te 9.30 uur, waar Bo-Ex zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen onder 3.5 is overwogen;

4.2.

[gedaagde] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren;

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2022.

De kantonrechter gaat uit van het gebrekenboek Huurcommissie, versie april 2021, dat op dit punt onveranderd het beleid weergeeft dat ook in de jaren hiervoor gold. Kloosterman, in: SDU Commentaar Huurrecht 2017, artikel 7:204, aant. C.2. Ktr. Limburg, 20 december 2017, ECLI:NLRBLIM:2017:12605. Kamerstukken II 2002/03, 3 p. 21 en 22-24.