Verbintenissenrecht
Facturen levering zaken betaald, vonnis over kosten.
Rechtbank Midden-Nederland, 18 januari 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:864 · Rechtbank Midden-Nederland · 18 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2023-864
Zaakgegevens
Op 18 januari 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 18 januari 2023
- Datum publicatie
- 1 maart 2023
- Zaaknummer
- 10102991 \ AC EXPL 22-2219
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:864
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Facturen levering zaken betaald, vonnis over kosten.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10102991 \ AC EXPL 22-2219 RvdH/1037
Vonnis van 18 januari 2023
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: LikiFin,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2,
- de e-mail van [gedaagde] van 17 september 2022 en het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 28 september 2022, beide aan te merken als conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek tevens wijziging van eis met producties 1 en 2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2 Waar gaat het over?
[eiser] is leverancier van schepijs. [gedaagde] heeft onder andere schepijs bij [eiser] gekocht. [eiser] heeft [gedaagde] daarvoor op 8 mei 2020 een factuur gestuurd voor het bedrag van € 541,76. Die factuur was niet juist. Op 24 september 2020 heeft [eiser] een aangepaste factuur voor een bedrag van € 497,71 gestuurd. [eiser] heeft op 28 september 2020 ook een creditnota gestuurd voor de onjuiste factuur van 8 mei 2020. [gedaagde] moest dus € 497,71 aan [eiser] betalen op basis van de factuur van 24 september 2020.
[gedaagde] heeft op 5 oktober 2020 € 270,80 betaald. Het restant van de factuur heeft hij onbetaald gelaten.
[eiser] heeft [gedaagde] op 6 september 2022 gedagvaard en betaling gevorderd van het restantbedrag, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente, samen totaal € 320,99. Op 8 september 2022 heeft [gedaagde] € 226,91 betaald. [eiser] vordert na wijziging van eis betaling van € 94,08, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente. [gedaagde] is het er niet mee eens dat hij die kosten moet betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3 De beoordeling
[gedaagde] heeft de factuur betaald. Nu resteren de wettelijke handelsrente over de hoofdsom tot 29 augustus 2022 en de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] ook die posten aan [eiser] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] heeft de factuur van 24 september 2020 eerst op 8 september 2022 volledig voldaan. Dat is te laat, op de factuur is namelijk een betaaltermijn van 14 dagen vermeld. Dat betekent dat [gedaagde] in verzuim verkeerde en dat de door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente tot 29 augustus 2020 ter hoogte van € 54,08 toewijsbaar is.
[eiser] vordert ook vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. [gedaagde] heeft pas na ontvangst van de dagvaarding betaald. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 40,- zijn daarom toewijsbaar.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
|
- hoofdsom facturen 29 augustus 2022 |
€ |
226,91 |
|
|
- buitengerechtelijke incassokosten |
€ |
40,00 |
+ |
|
totaal |
€ |
320,99 |
|
|
- betaling 8 september 2022 |
€ |
226,91 |
-/- |
|
Totaal |
€ |
94,08 |
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
107,22 |
|
|
- griffierecht |
€ |
128,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
150,00 |
(2 punten × € 75,00) |
|
Totaal |
€ |
385,22 |
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 94,08,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 385,22,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op
18 januari 2023.