Verbintenissenrecht

Faillissement gedaagde na dagvaarding. Schorsing van de procedure op grond van artikel 29 Fw.

Rechtbank Midden-Nederland, 6 maart 2024

Zaakgegevens

Op 6 maart 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
6 maart 2024
Datum publicatie
12 april 2024
Zaaknummer
10862306 \ MC EXPL 24-41
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:2238
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissement gedaagde na dagvaarding. Schorsing van de procedure op grond van artikel 29 Fw.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 6 maart 2024

in de zaak met zaaknummer: 10862306 MC EXPL 24-41 JD/51246 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigden: mr. G.R.G. Driessen en mr. N. Braamburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 december 2023 tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met 15 producties;

- de e-mail van mr. C.P.M. Kerkers van 5 februari 2024;

- de e-mail van mr. Braamburg van 4 maart 2024.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 67.464,47 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Verder vordert [eiseres] betaling van een contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2.

Bij dagvaarding heeft [eiseres] ook ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] gevorderd. Daarnaast heeft zij een (provisionele) vordering ingesteld tot ontruiming van de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte aan het adres [adres] in [vestigingsplaats 2] , op straffe van een dwangsom. Uit de e-mails van 5 februari 2024 en 4 maart 2024 begrijpt de kantonrechter dat de huurovereenkomst met machtiging van de rechtercommissaris is opgezegd en dat [gedaagde] de bedrijfsruimte reeds aan [eiseres] heeft opgeleverd. Bij e-mail van 4 maart 2024 verzoekt [eiseres] de zaak op grond van artikel 29 van de Faillissementswet (hierna: Fw) te schorsen. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat [eiseres] de gevorderde ontbinding en de (provisionele) vordering tot ontruiming niet langer wenst te handhaven.

2.3.

Gebleken is dat bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, uitgesproken op 30 januari 2024, ten aanzien van [gedaagde] het faillissement is uitgesproken met benoeming van mr. C.P.M. Kerkers tot curator.

2.4.

De vorderingen van [eiseres] (tot betaling van de huurachterstand, de wettelijke handelsrente, de contractuele boete en de buitengerechtelijke incassokosten) hebben betrekking op nakoming van een verbintenis uit de boedel. Dat betekent dat het geding op grond van artikel 29 Fw wordt geschorst. [eiseres] kan haar vorderingen aanmelden ter verificatie.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verstaat dat het geding is geschorst op grond van artikel 29 Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.