Verbintenissenrecht
Overeenkomst van geldlening in USD. Toerekening van betalingen aan aflossing op de geldlening. Veroordeling…
Rechtbank Midden-Nederland, 4 september 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:4685 · Rechtbank Midden-Nederland · 4 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2024-4685
Zaakgegevens
Op 4 september 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 4 september 2024
- Datum publicatie
- 31 juli 2024
- Zaaknummer
- C/16/566385
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D.M Schouten-Hennen, mr. G.W. Boogaard
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4685
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overeenkomst van geldlening in USD. Toerekening van betalingen aan aflossing op de geldlening. Veroordeling tot voldoening tegenwaarde in euro's.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/566385 / HA ZA 23-736
Vonnis van 4 september 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.W. Boogaard.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 6
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met productie 1 t/m 10
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 7 t/m 11
- het bericht van 13 juli 2024 met productie 12 van [gedaagde]
- het bericht van 17 juli 2024 met productie 11 van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 23 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt uitgesproken.
2 Kern van de zaak
[gedaagde] en de heer [A] (hierna: ‘ [A] ’), één van de bestuurders van [eiseres] , kennen elkaar al meer dan 35 jaar. [eiseres] heeft $ 125.000, = geleend aan [gedaagde] en vordert in conventie betaling van € 27.301,49. [gedaagde] stelt de lening helemaal te hebben afgelost en zelfs te veel te hebben afgelost. [gedaagde] vordert daarom in reconventie betaling van € 6.267,15.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] tot 1 maart 2021 $ 95.551,95 als aflossing heeft betaald en op 6 januari 2023 € 2.500, = is afgelost op de lening. De rechtbank oordeelt dat de betalingen van € 600, = en € 500, = in 2018 ook moeten worden toegerekend als aflossing op de lening. Dit geldt ook voor de betalingen die [gedaagde] in 2021 voor een bedrag van € 12.100, = op verzoek aan [A] privé heeft voldaan. [gedaagde] wordt veroordeeld aan [eiseres] te betalen de tegenwaarde in euro’s van het bedrag van USD $12.225,48 tegen de koers van de dag van betaling.
3 De beoordeling
In conventie en reconventie
Lening [eiseres] en aflossingen door [gedaagde]
[eiseres] heeft op 4 september 2017 $ 108.000, = geleend aan [gedaagde] . Op 20 juni 2018 heeft [eiseres] $ 17.400, = geleend aan [gedaagde] . In totaal heeft [eiseres] dus $ 125.400, = geleend aan [gedaagde] . Het is niet in geschil dat [gedaagde] in de periode september 2017 t/m 1 maart 2021 $ 95.551,95 heeft afgelost op de lening en op 6 januari 2023 € 2.500, = (omgerekend $ 2.344,25) heeft afgelost. Op grond van deze aflossingen resteert een vordering van [eiseres] op [gedaagde] van $ 27.139,80.
Aanvullende aflossingen op de lening
[eiseres] heeft op 5 juni 2018 € 12.000, = ontvangen van een aan [gedaagde] gelieerde vennootschap. [eiseres] heeft hiervan € 500, = (omgerekend $ 589,05) aangemerkt als “aflossing lening”. Dit bedrag moet dan ook worden toegerekend als aflossing op de lening tussen [eiseres] en [gedaagde] .
[gedaagde] heeft daarnaast gesteld dat hij op 24 mei 2018 € 600, = heeft betaald waarvan € 500, = (omgerekend $ 586,10) als aflossing op de lening van [eiseres] en € 100, = zag op terugbetaling voor een gezamenlijk diner. [eiseres] heeft dit niet betwist. Het bedrag van $ 586,10 moet dus ook worden toegerekend als aflossing op de lening tussen [eiseres] en [gedaagde] .
Betalingen aan [A] o.v.v. “terugbetaling lening”
[gedaagde] heeft ter aflossing van zijn schuld aan [eiseres] in 2021 voor € 12.100, = (omgerekend $ 14.103,17) bevrijdend betaald aan [A] . [gedaagde] heeft weliswaar het bedrag van in totaal € 12.100, = niet aan geldlener [eiseres] terugbetaald, maar hij heeft dit op expliciet verzoek van [A] naar zijn privérekening overgemaakt. [A] heeft namelijk op 23 maart 2021 per Whatsappbericht aan [gedaagde] gevraagd om “de volgende maal” op zijn privérekening te betalen. [gedaagde] heeft dit bericht zo begrepen dat hij alle volgende aflossingen op de lening aan [eiseres] op de privérekening van [A] moest voldoen. [gedaagde] mocht dit bericht ook zo begrijpen, want [A] heeft op geen moment daarna aan [gedaagde] bericht dat de aflossingen (weer) moesten worden betaald op de rekening van [eiseres] .
De betalingen van in totaal € 12.100, = kunnen ook worden toegerekend aan de verbintenis tot terugbetaling van de lening tussen [eiseres] en [gedaagde] , want [gedaagde] heeft die verbintenis bij de betalingen aangewezen. Bij het overzicht van de betalingen staat namelijk onder de kolom “Soort kosten” de vermelding “terugbetaling lening”. [A] heeft weliswaar tijdens de zitting aangevoerd dat er geen bankafschriften zijn overgelegd waaruit deze omschrijving blijkt, maar [gedaagde] heeft als bijlage een overzicht van betalingen gevoegd en [eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit overzicht door ING Bank is gegenereerd. Het bedrag van € 12.100, = is omgerekend naar de wisselkoers van de data waarop is betaald een bedrag van $ 14.103,17:
|
Datum |
Bedrag in € |
Wisselkoers |
$ |
|
31-3-2021 |
€ 2.000, = |
1,1727 |
$ 2.345,40 |
|
30-4-2021 |
€ 2.000, = |
1,2020 |
$ 2.404,00 |
|
1-6-2021 |
€ 2.000, = |
1,2217 |
$ 2.443,40 |
|
28-6-2021 |
€ 2.000, = |
1,1929 |
$ 2.385,80 |
|
2-8-2021 |
€ 600, = |
1,1874 |
$ 712,44 |
|
30-9-2021 |
€ 750, = |
1,1575 |
$ 868,13 |
|
15-10-2021 |
€ 1.000, = |
1,1600 |
$ 1.160,00 |
|
1-11-2021 |
€ 750, = |
1,1600 |
$ 652,50 |
|
3-12-2021 |
€ 1.000, = |
1,1315 |
$ 1.131,50 |
|
Totaal |
€ 12.100 |
$ 14.103,17 |
Aanvullende lening is al terugbetaald
[eiseres] heeft op 17 januari 2019 een aanvullende lening van € 8.000, = verstrekt aan [gedaagde] . Op diezelfde datum heeft [A] € 2.000, = geleend aan [gedaagde] . [onderneming] B.V., een aan [gedaagde] gelieerde vennootschap, heeft op 31 januari 2019 € 5.000, = terugbetaald aan [eiseres] en op 18 februari 2019 € 9.500, = aan [A] privé.
[eiseres] en [A] hebben van dit totaalbedrag van € 14.500, = (€ 9.500, = en € 5.000, =) het bedrag van € 10.000, = aangemerkt als aflossing op deze aanvullende leningen. De aanvullende leningen zijn daarmee volledig afgelost.
Overeenkomst van opdracht en betaling van € 4.500, = door [onderneming] B.V. aan [A] vallen buiten omvang van deze procedure
[A] heeft aangevoerd dat hij op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] (of een aan [gedaagde] gelieerde vennootschap) en daarom recht heeft op een vergoeding van € 10.000, = (€ 2.500, = per maand voor vier maanden) en € 2.000, = aan reiskosten. [onderneming] B.V. heeft daarnaast een bedrag van € 4.500, = (te veel) voldaan aan [A] (zie randnummer 3.8; € 14.500, = - € 10.000, =).
De vraag (i) of [A] een vordering heeft op [gedaagde] (of een aan [gedaagde] gelieerde vennootschap) uit hoofde van overeenkomst van opdracht en (ii) of [onderneming] B.V. een vordering heeft op [A] , valt echter buiten de omvang van deze procedure tussen [eiseres] en [gedaagde] .
Conclusie: [gedaagde] is $12.225,48 verschuldigd aan [eiseres]
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd:
Lening $ 125.400,00
Aflossingen t/m 1 maart 2021 $ 95.551,95
Aflossing 6 januari 2023 $ 2.344,25
Aflossing 5 juni 2028 $ 589,05
Aflossing 24 mei 2018 $ 586,10
Aflossingen 2021 $ 14.103,17
Verschuldigd $ 12.225,48
[eiseres] heeft betaling gevorderd van het verschuldigde in euro’s. Als in Nederland een vordering wordt ingesteld tot betaling van een geldsom uitgedrukt in buitenlands geld (in dit geval USD), dan kan de schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling in de tegenwaarde van het bedrag in Nederlands geld. De omrekening vindt plaats naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] heeft primair de wettelijke rente gevorderd vanaf 1 april 2021, omdat [gedaagde] na 1 maart 2021 zou zijn gestopt met maandelijkse betalingen van € 2.000, = en daarom vanaf 1 april 2021 in verzuim was. [eiseres] heeft echter niet gesteld dat zij met [gedaagde] een afbetalingsregeling heeft gesloten op grond waarvan [gedaagde] verplicht was € 2.000, = per maand af te lossen. Er is dus geen sprake van een overeengekomen fatale termijn voor de betalingen en [gedaagde] verkeerde op 1 april 2021 niet in verzuim. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen over het verschuldigde bedrag vanaf de dag van de dagvaarding totdat er volledig is betaald.
[eiseres] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom op grond van het Besluit recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden voor een bedrag van € 889,26.
Proceskosten in conventie en reconventie
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 107,32
- griffierecht € 2.161,00
- salaris advocaat € 1.572,00 (2 punten × € 786,00)
- nakosten € 139,00 (plus de verhoging
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.979,32
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. Gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en de vordering in conventie, wordt er voor de proceshandelingen in reconventie 1 punt toegekend (de helft van het puntenaantal in conventie). De proceskosten in reconventie worden begroot op € 786,00.
4 De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [gedaagde] te betalen de tegenwaarde in euro’s van het bedrag van USD 12.225,48 tegen de koers van de dag van betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
veroordeelt [gedaagde] te betalen een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten van € 889,26,
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 157,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 t/m 4.3 en 4.5 t/m 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024.