Verbintenissenrecht
Eiseres ziet na tussenvonnis met bewijsopdracht af van bewijslevering. Vorderingen worden afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland, 9 april 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:2538 · Rechtbank Midden-Nederland · 9 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-2538
Zaakgegevens
Op 9 april 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 9 april 2025
- Datum publicatie
- 23 mei 2025
- Zaaknummer
- C/16/574189
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D.M Schouten-Hennen (Acris Legal), mr. H. Hulshof (Hulshof Advocatuur)
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2538
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eiseres ziet na tussenvonnis met bewijsopdracht af van bewijslevering. Vorderingen worden afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
locatie Lelystad
Vonnis van 9 april 2025
in de zaak met zaaknummer: C/16/574189 / HL ZA 24-112 van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen (Acris Legal),
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde]
advocaat: mr. H. Hulshof (Hulshof Advocatuur).
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024;
- het bericht van [eiseres] van 31 december 2024.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2 De verdere beoordeling
[eiseres] ziet af van bewijslevering
In het tussenvonnis van 18 december 2024 heeft de rechtbank [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat partijen een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan zij advies- en bemiddelingswerkzaamheden voor [gedaagde] zou uitvoeren en [gedaagde] in ruil hiervoor een vaste fee van € 75.000,- exclusief btw zou betalen. De rechtbank heeft [eiseres] ook opgedragen om te bewijzen welke werkzaamheden zij heeft verricht en dat het door haar gevorderde loon van € 90.750,- inclusief btw op de gebruikelijke wijze is berekend, dan wel redelijk is.
[eiseres] heeft in haar bericht van 31 december 2024 medegedeeld dat zij geen getuigen wil laten horen en dat zij geen nadere bewijsstukken zal indienen.
[gedaagde] hoeft [eiseres] niets te betalen
Omdat [eiseres] geen bewijs heeft geleverd, is niet komen vast te staan dat partijen een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [gedaagde] verplicht is om [eiseres] een bedrag te betalen. De door [eiseres] gevorderde hoofdsom van € 90.750,- inclusief btw zal daarom worden afgewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.682,50 zullen worden afgewezen, omdat die samenhangen met de hoofdsom.
Proceskosten
[eiseres] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
112,37 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.889,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.428,00 |
(2 punten × € 1.214,00) |
|
- nakosten |
€ |
178,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
5.607,37 |
[eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de door [eiseres] gemaakte beslagkosten te vergoeden. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, omdat [eiseres] in de proceskosten wordt veroordeeld.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.607,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.