Materieel strafrecht
Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van de officier van justitie tot uitstel of achterwege…
Rechtbank Midden-Nederland, 11 februari 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:7238 · Rechtbank Midden-Nederland · 11 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2014-7238
Zaakgegevens
Op 11 februari 2014 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 11 februari 2014
- Datum publicatie
- 6 januari 2015
- Zaaknummer
- 16-701523-12
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2014:7238
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van de officier van justitie tot uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling.
Uitspraak
RECHTBANK Utrecht
Sector strafrecht
zaaknummer v.i. 99-000228-47
parketnummer 16/701523-12
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2014 op een vordering van de officier van justitie tot uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling
in de zaak tegen de veroordeelde
[veroordeelde]
geboren op [1990] te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats], [adres]
thans gedetineerd te PI Haaglanden, locatie Zoetermeer
Raadsman: mr. M.W. Zwiers, advocaat te Utrecht
1 De stukken
- het afschrift van het vonnis van deze rechtbank d.d. 25 januari 2013, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
- de vordering van de officier van justitie;
- het v.i. advies van de heer [A] van 20 november 2013;
- het Reclasseringsadvies van Reclassering Nederland (verzoek v.i. advies) van 12 december 2013, opgesteld door mevrouw A. Taument.
2 De procesgang
De vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 28 januari 2014. De standpunten van de officier van justitie en van de veroordeelde en zijn raadsman zijn daarbij naar voren gekomen.
3 De behandeling
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn vordering. De officier van justitie heeft gesteld dat de veroordeelde zich niet bereid heeft verklaard zich te houden aan de aan voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: v.i.) te verbinden voorwaarden (elektronische controle). Het recidiverisico kan daardoor niet voldoende worden ingeperkt, zodat er gronden bestaan voor het achterwege laten van deze voorwaardelijke invrijheidstelling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen. Subsidiair is de verdediging van mening dat de zaak moet worden aangehouden voor het (opnieuw) opstellen van een reclasseringsrapport, dan wel dat de voorlopige invrijheidstelling moet worden uitgesteld. De raadsman heeft dit onderbouwd door te stellen dat er een advies ligt van de directeur van de inrichting waaruit blijkt dat de veroordeelde alles goed heeft doorlopen en dat hij als enige voorwaarde aan de v.i. een arbeidsvaardighedentraining wil verbinden. De Reclassering komt vervolgens met een rapportage waarin geadviseerd wordt tot elektronisch toezicht, terwijl dat rapport geheel is gebaseerd op historische gegevens. Daar komt bij dat veroordeelde ook niet goed is voorgelicht over de consequenties van het niet meewerken en dat had volgens de uitspraak van de Hoge Raad (LJN BL0414) wel gemoeten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 15d, eerste lid, aanhef en onder d van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld dan wel achterwege kan blijven indien door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking het eerdergenoemde door mevrouw Taument opgemaakte reclasseringsadvies van 12 december 2013. Geadviseerd wordt om de veroordeelde niet in aanmerking te laten komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Naar de mening van de reclassering dient hij daarvoor slechts in aanmerking te komen wanneer hij meewerkt aan een traject middels elektronische controle. De veroordeelde heeft destijds desgevraagd te kennen gegeven onder geen beding mee te zullen werken aan een dergelijk traject. Geadviseerd wordt om de veroordeelde om die reden niet in aanmerking te laten komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank stelt vast dat de reclassering deugdelijk heeft onderbouwd dat het recidiverisico thans onvoldoende kan worden ingeperkt. Uit het rapport blijkt dat de veroordeelde meerdere malen te kennen heeft gegeven dat hij niet zal meewerken aan de voorwaarde van elektronische controle, die de reclassering nodig acht om het ingeschatte recidiverisico succesvol te kunnen beïnvloeden. Gelet op het karakter van de voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten het terugdringen van het recidivegevaar, mag van de veroordeelde verwacht worden dat hij zich optimaal inzet in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Dit heeft de veroordeelde niet gedaan door elektronisch toezicht en het daaraan gekoppelde huisbezoek te weigeren. Hij heeft ter zitting van 28 januari 2014 verklaard dat hij (alsnog) bereid is mee te werken aan elektronisch toezicht indien de rechtbank hem dit opdraagt. Dit is op de rechtbank oprecht overgekomen, zij het dat die bereidverklaring te laat is gekomen, gelet op de voorbereidingen die noodzakelijk zijn voor de concretisering van de voorwaarden en het in werking stellen van elektronisch toezicht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering toegewezen dient te worden. Het verweer van de raadsman dat de veroordeelde niet voldoende zou zijn voorgelicht over de consequenties van het niet meewerken aan de gestelde voorwaarde, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is geworden dat het voor de veroordeelde voldoende duidelijk is geweest wat de gevolgen waren indien hij niet mee zou werken en hij heeft dit bewust nagelaten. De rechtbank merkt nog op dat het niet uitgesloten is dat op een later moment de voorwaardelijke invrijheidstelling weer aan de orde is, indien een nader reclasseringsadvies, daartoe aanleiding geeft.
4 Toepasselijke wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14, 15d en 15f van het Wetboek van Strafrecht.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering toe;
- bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van [veroordeelde] achterwege blijft.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. G.V.M. Veldhoen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 februari 2014.