Burgerlijk procesrecht

Ontslag van instantie gedaagden, omdat eiseres niet tijdig het griffierecht heeft voldaan.

Rechtbank Noord-Holland, 13 mei 2026

Zaakgegevens

Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
13 mei 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/376228 / HA ZA 26-194
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8490
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontslag van instantie gedaagden, omdat eiseres niet tijdig het griffierecht heeft voldaan.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/376228 / HA ZA 26-194

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AFG CONSULTANCY B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zaandam,

eiseres,

advocaat mr. I.A. Hoedemaeker,

tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STICKX ARCADE HOLDING B.V.,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

S.A. GROUP HOLDING B.V.,

beiden statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zaandam,

gedaagden,

advocaat mr. J.M. Geelkerken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding

  • de akte van eiseres.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Ingevolge artikel 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken is eiseres griffierecht verschuldigd vanaf de eerste roldatum en dient zij ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel daar ter griffie is gestort.

2.2.

De eerste roldatum in deze zaak was 1 april 2026. De termijn voor het betalen van het griffierecht liep daarom tot en met 29 april 2026. De griffier heeft geconstateerd dat eiseres het griffierecht pas op 5 mei 2026 heeft voldaan en dus niet tijdig. Op grond van het bepaalde in artikel 127a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidt dit tot ontslag van instantie van gedaagden, met veroordeling van eiseres in de kosten.

2.3.

De advocaat van eiseres, mr. Hoedemaeker, voert in haar akte aan dat zij de nota voor het betalen van het griffierecht, in verband met een wisseling van kantoor, niet heeft ontvangen. Zij heeft op 3 april 2026 een mailbericht gestuurd aan het Rechtspraak Servicecentrum. Zij heeft haar kantoorgegevens gewijzigd in Mijn Orde (van de Orde van Advocaten) en gevraagd haar nieuwe kantoorgegevens (per 1 februari 2026) te verwerken in de administratie van de rechtspraak en de factuur voor het griffiegeld te corrigeren. Volgens mr. Hoedemaeker was de inning van het griffierecht abusievelijk via de rekening-courant rekening van haar voormalige kantoor gelopen. Op 1 mei 2026 heeft zij de aanmaning voor het betalen van het griffierecht ontvangen. Vervolgens heeft zij zo snel mogelijk na het weekeinde, op 5 mei 2026, alsnog het griffierecht voldaan.

2.4.

De door mr. Hoedemaeker aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding om laatstgenoemde bepaling op de in artikel 127a lid 3 Rv genoemde grond buiten toepassing te laten. Anders dan mr. Hoedemaeker stelt, is het griffierecht dat eiseres is verschuldigd niet geïnd op de rekening-courant rekening van haar voormalige kantoor. Op 1 april 2026 is de nota voor het griffierecht gestuurd naar mr. Hoedemaeker, op het adres van haar (nieuwe) kantoor. Bovendien moet volgens vaste rechtspraak een advocaat op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de betalingstermijn en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan.

2.5.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op € 7.062,00.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

ontslaat gedaagden van de instantie,

3.2.

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 7.062,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op

13 mei 2026.

Conc.: 287