Burgerlijk procesrecht

Verzoek om inzage en afschrift van stukken op grond van artikelen 194 en 195 Rv afgewezen. Sprake van een…

Rechtbank Noord-Holland, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/381000/ HA ZA 26-492
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. J.W. Bloem, mr. Q.E.R. van 't Schip
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:13326
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om inzage en afschrift van stukken op grond van artikelen 194 en 195 Rv afgewezen. Sprake van een 'fishing expedition"en dus misbruik van het inzagerecht.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/381000 / HA ZA 26-492

Vonnis in incident van 30 september 2026

in de zaak van

SCHEPERSWIJK BLOEMEN B.V.,

te Hem, gemeente Drechterland,

eisende partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: Scheperswijk,

advocaat: mr. J.W. Bloem,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. Q.E.R. van 't Schip.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte niet dienen voor conclusie van antwoord in incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand.

Op 9 mei 2022 is aan Scheperswijk een (omgevings-)vergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfsruimte. Scheperswijk heeft vervolgens, op 23 mei 2024, een wijziging verzocht van de aan hem verleende vergunning. Op 5 november 2024 is deze (gewijzigde) vergunning aan hem verleend. [gedaagde] heeft op 14 februari 2025 bezwaar aangetekend tegen de vergunning van 5 november 2024. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens op 8 mei 2025 geoordeeld dat [gedaagde] geen belanghebbende is en het College geadviseerd [gedaagde] in zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Dit advies is door de gemeente overgenomen en op 13 mei 2025 heeft de gemeente [gedaagde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. [gedaagde] heeft vervolgens op 16 juni 2025 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Daarnaast heeft [gedaagde] op 12 november 2025 een verzoek voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is op 19 november 2025 ingetrokken. [gedaagde] heeft op 13 februari 2026 ook de beroepsprocedure ingetrokken. Scheperswijk heeft [gedaagde] vervolgens op 2 maart 2026 aansprakelijk gesteld op grond van misbruik van recht. Op 14 april 2026 heeft Scheperswijk [gedaagde] verzocht om inzage in/afschrift van correspondentie tussen [gedaagde] en zijn gemachtigde die met name betrekking heeft op het besluit om beide procedures bij de rechtbank in te trekken. [gedaagde] heeft geweigerd deze inzage te verstrekken.

2.2.

Scheperswijk vordert in het incident – samengevat – dat [gedaagde] , onder verbeurte van een dwangsom, gehouden is inzage te verstrekken in en afschrift te verstrekken van correspondentie tussen de heer [naam] (Univé) (hierna: [naam] ) en [gedaagde] :

  • met betrekking tot de bezwaarfase in de periode van 8 januari 2025 tot en met 13 februari 2026, in het bijzonder ter zake van de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het instellen van bezwaar;

  • met betrekking tot de beroepsprocedure in de periode van 8 januari 2025 tot en met 13 februari 2026, in het bijzonder ter zake van de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het instellen en intrekken van beroep;

  • met betrekking tot de voorlopige voorziening in de periode van 8 januari 2025 tot en met 13 februari 2026, in het bijzonder ter zake van de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het instellen en intrekken van de voorlopige voorziening

  • die in zijn algemeen betrekking heeft gehad op het instellen van bezwaar, beroep en de voorlopige voorziening, alsmede op de intrekking daarvan.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering van Scheperswijk moet worden afgewezen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden.

2.4.

De incidentele vordering van Scheperswijk is gebaseerd op artikelen 194 en 195 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op basis van deze artikelen dient de rechtbank te oordelen of Scheperswijk voldoende belang heeft bij haar incidentele vordering en of [gedaagde] aan de vordering moet voldoen. Dit geldt ook in de situatie als in deze zaak, waarbij [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering.
In artikel 194 lid 2 Rv is bepaald in welke gevallen geen inzage hoeft te worden gegeven. Daarnaast hoeft ook geen inzage te worden gegeven als er sprake is van misbruik van recht en/of strijd met de goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat Scheperswijk met zijn vordering misbruik maakt van het inzagerecht.

2.5.

De rechtbank stelt voorop dat het haar niet is gebleken dat [naam] [gedaagde] ook heeft bijgestaan in de bezwaarfase en de beroepsprocedure. Scheperswijk heeft dat in ieder geval niet gesteld en het blijkt ook niet uit de door Scheperswijk overgelegde stukken. Dat heeft tot gevolg dat Scheperswijk geen belang heeft bij haar vordering voor zover die ziet op de bezwaarfase en de beroepsprocedure.

2.6.

Wat betreft de voorlopige voorzieningenprocedure vordert Scheperswijk dat [gedaagde] in het bijzonder correspondentie met [naam] overlegt ‘ter zake van de overwegingen die tot grondslag hebben gelegen aan het instellen en het intrekken van de voorlopige voorziening.’ Scheperswijk voert daarvoor aan dat ‘juist uit deze correspondentie blijkt (of zou kunnen blijken) wat de reden is geweest voor het instellen van de procedures, de haalbaarheid van de ingestelde vorderingen, alsmede de intrekking van de procedures. De informatie is daarmee rechtstreeks relevant voor de beoordeling van het geschil en kan niet worden onthouden zonder de positie van Scheperswijk onevenredig te schaden.’ Uit deze toelichting van de vordering blijkt dat Scheperswijk niet weet wat in de correspondentie tussen [naam] en [gedaagde] is opgenomen en zoekt naar informatie waarvan onduidelijk is of deze ook echt bestaat. Daaruit volgt dat de informatie meer wordt opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen. In een dergelijke situatie is er sprake van een zogenaamde ‘fishing expedition’ en wordt misbruik gemaakt van de regeling van het inzagerecht. Dat heeft tot gevolg dat de vordering van Scheperswijk moet worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de incidentele vordering van Scheperswijk af,

in de hoofdzaak

3.2.

verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] ,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

MKG/PV

Artikel 3:13 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Zie in dat verband Memorie van Toelichting bij de Wet vereenvoudiging en modernisering nieuw bewijsrecht, Kamerstukken II, 2019/20, 35498, nr. 3.