Goederenrecht
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De rechtbank heeft in 2021 de verdeling van hun…
Rechtbank Noord-Holland, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13833 · Rechtbank Noord-Holland · 12 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/goederenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbnho-2026-13833
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/15/380600
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Goederenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.N. de Bode
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:13833
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De rechtbank heeft in 2021 de verdeling van hun gemeenschappelijke goederen vastgesteld. Onderdeel van de verdeling was dat de woning in {plaats 1} aan {Eiser} werd toebedeeld en dat de woning in België moest worden verkocht. Na verkoop van de woning zou {eiser} drie maanden de tijd hebben om de toedeling van de woning in {plaats 1} aan haar te effectueren. Ook had de rechtbank een onzijdig persoon benoemd voor het geval {gedaagde} niet aan de verdeling zou meewerken. Door praktische belemmeringen, mede door toedoen van {gedaagde}, is de woning in België nog steeds niet verkocht.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/380600 / KG ZA 26-450
Vonnis in kort geding van 12 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. E.N. de Bode,
tegen
[gedaagde] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland en elders,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde].
De zaak in het kort
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De rechtbank heeft in 2021 de verdeling van hun gemeenschappelijke goederen vastgesteld. Onderdeel van de verdeling was dat de woning in [plaats 1] aan [eiser] werd toebedeeld en dat de woning in België moest worden verkocht. Na verkoop van de woning zou [eiser] drie maanden de tijd hebben om de toedeling van de woning in [plaats 1] aan haar te effectueren. Ook had de rechtbank een onzijdig persoon benoemd voor het geval [gedaagde] niet aan de verdeling zou meewerken. Door praktische belemmeringen, mede door toedoen van [gedaagde], is de woning in België nog steeds niet verkocht.
Probleem is verder dat [gedaagde] meerdere keren met een kettingzaag aan en in de woning in [plaats 1] schade heeft toegebracht. Hij is daarvoor strafrechtelijk veroordeeld. Omdat de woning nog steeds gezamenlijk eigendom van partijen is, vindt de politie het ingewikkeld [gedaagde], ondanks een hem zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk opgelegd contact- en gebiedsverbod, aan te pakken als hij in de woning in [plaats 1] is. Daarom vordert [eiser] onder meer dat de woning in [plaats 1] op haar naam komt en dat het vonnis in kort geding in de plaats treedt van de handtekening van [gedaagde] voor de levering van zijn aandeel daarin. [gedaagde] voert als enig verweer dat [eiser] nog € 6.000.000,00 aan hem verschuldigd is.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. Zij heeft gelet op de geweldsincidenten en de daardoor veroorzaakte angst een spoedeisend belang bij haar vorderingen. De voorzieningenrechter matigt en maximeert de dwangsom.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 20
- de mondelinge behandeling van 28 september 2026, waarbij [gedaagde] in persoon is verschenen en waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
2 De feiten
Tussen 1993 en 2015 hebben partijen een affectieve relatie met elkaar gehad. Ten tijde van het einde van de relatie hadden partijen gezamenlijk:
-
Een woning te ([postcode 1]) [plaats 1] aan de [adres 1];
-
Een woonboot met ligplaats te ([postcode 2]) [plaats 3] aan de [adres 2];
-
Een woonhuis te ([postcode 3]) [plaats 2], België, aan de [adres 3];
-
Een camper;
-
Twee auto’s.
[eiser] woont in de woning in [plaats 1]. [gedaagde] heeft geen vaste verblijfplaats.
Bij vonnis van 15 december 2021 heeft de rechtbank de wijze van verdeling tussen partijen vastgesteld, waarbij, samengevat, onder andere de woning in [plaats 1] aan [eiser] werd toegedeeld, de woning in België door partijen via een makelaar verkocht moest worden en de woonboot aan [gedaagde] werd toegedeeld, indien hij binnen zes maanden de toedeling aan hem kon effectueren. In het geval [gedaagde] de woonboot niet zou kunnen overnemen, zou deze moeten worden verkocht. Na verkoop van de woning in België en de eventuele verkoop van de woonboot zou [eiser] drie maanden de tijd krijgen om de woning in [plaats 1] notarieel aan haar toe te (laten) delen. Als zij financieel niet in staat zou zijn de woning in [plaats 1] over te nemen, zou ook deze woning verkocht moeten worden. De rechtbank heeft mr. [betrokkene 1] benoemd tot onzijdig persoon als bedoeld in 3:181 BW die [gedaagde] bij de verdeling vertegenwoordigt in het geval [gedaagde] niet binnen een week na het eerste verzoek van [eiser] zelf zijn medewerking aan de verdeling zou verlenen. Inmiddels is mr. [betrokkene 1] door mr. [betrokkene 2] als onzijdig persoon opgevolgd.
[gedaagde] heeft niet meegewerkt aan de verkoop van de woning in België en van de woonboot.
[gedaagde] heeft op 10 maart 2022 hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 15 december 2021 ingesteld.
Omdat [gedaagde] niet meewerkte aan de verdeling, heeft [eiser] in 2024 hem weer gedagvaard. Bij verstekvonnis van 4 december 2024 heeft deze rechtbank onder andere, samengevat, [eiser] bevoegdheden gegeven om de verkoop van de woonboot en de woning in België eenzijdig te effectueren.
Ondanks de inspanningen van [eiser] is de woning in België nog niet verkocht.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij zijn arrest van 25 februari 2025 het vonnis van de rechtbank van 15 december 2021 bekrachtigd.
Op 9 augustus 2025 heeft een geweldsincident bij de woning in [plaats 1] plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] met een kettingzaag de tuinpoort doormidden heeft gezaagd en zich vervolgens de toegang tot de tuin heeft verschaft. [eiser] heeft tegen [gedaagde] aangifte van mishandeling bij de politie gedaan.
Vervolgens heeft [gedaagde] op 24 september 2025 met een kettingzaag geprobeerd de voordeur van de woning in [plaats 1] door te zagen. Daarbij heeft hij vernielingen aangericht.
Op 22 december 2025 vond opnieuw een incident plaats. [gedaagde] heeft dit keer geprobeerd de nieuwe, verstevigde tuinpoort van de woning in [plaats 1] met een kettingzaag door midden te zagen. Toen dit niet lukte, heeft hij met een hamer het keukenraam van de woning ingeslagen en daarna een flesje met zwarte inkt naar binnen gegooid. [eiser] was op dat moment in de woning aanwezig.
De woonboot is verkocht en op 14 januari 2026 aan de nieuwe eigenaren geleverd. Bij de verkoop en levering was [gedaagde] vertegenwoordigd door mr. [betrokkene 1] en mr. [betrokkene 2]. Met de verkoopopbrengst van de woonboot is de hypothecaire geldlening bij de Rabobank op de woning in [plaats 1] afgelost en zijn de camper en auto’s onderling verrekend. Op dezelfde dag heeft [gedaagde] opnieuw vernielingen aangericht in de woning in [plaats 1]. [eiser] was daarbij niet aanwezig, maar een vriendin van haar wel. De politie was ingeschakeld, maar heeft [gedaagde] niet aangehouden.
Wegens de incidenten heeft [eiser] in kort geding (onder andere) een contact- en gebiedsverbod voor [gedaagde] van één jaar gevorderd. Bij verstekvonnis van 3 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het contact- en gebiedsverbod toegewezen.
Bij mondeling vonnis van 16 juni 2026 heeft de politierechter van deze rechtbank [gedaagde] voor de vernielingen in de woning in [plaats 1] op 9 augustus en 24 september 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, betaling van een boete van € 1,000,00 dan wel tien dagen gevangenisstraf en betaling aan de Staat van een schadevergoeding ten behoeve van [eiser] van € 3.835,00. Ook heeft de politierechter [gedaagde] een contact- en gebiedsverbod van twee jaar opgelegd. Van de ten laste gelegde mishandeling van [eiser] is [gedaagde] vrijgesproken.
3 Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
-
gelast dat het vonnis in deze zaak in de plaats treedt van de wettelijk vereiste toestemming/handtekening van [gedaagde], geboren op [geboortedatum 1] 1948 te [plaats 3] in de transportakte, dan wel een deel daarvan, voor de levering van het woonhuis aan de [adres 1] te [plaats 1], kadastraal bekend gemeente [plaats 1], [kadaster nummer], groot 1 are en 28 centiare aan [eiser], geboren op [geboortedatum 2] 1955 te [plaats 4] – onder doorhaling van [gedaagde] als mede-eigenaar – en deze akte in de openbare registers van het kadaster als zodanig kan worden ingeschreven;
-
[gedaagde] gebiedt alle hypotheek- en overige eigenaarslasten inclusief onderhoud en belastingen behorende bij het pand aan de [adres 3] te [plaats 2], België volledig te blijven voldoen, en wel vanaf 12 oktober 2026, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] te laat is met voldoen van deze verplichtingen en € 1.000,00 per keer dat [gedaagde] in gebreke blijft de volledige kosten van dit pand te voldoen;
-
[gedaagde] verbiedt om aanspraak te maken op tussentijds afrekenen op grond van tijdelijke overbedeling van [eiser], en wel totdat het pand in België ofwel verkocht ofwel is overgenomen door [gedaagde] ofwel partijen anderszins definitief gescheiden en gedeeld hebben.
[eiser] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Zij heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat zij wegens de geweldsincidenten enorm angstig is voor [gedaagde]. Zolang de woning in [plaats 1] ook op naam van [gedaagde] staat, zal de politie [gedaagde] waarschijnlijk niet aanhouden, als hij in weerwil van het opgelegde gebiedsverbod de woning weer binnendringt. Bij de politie leeft namelijk het idee dat zij niet kunnen ingrijpen als iemand zijn eigen eigendom vernielt. Alleen exclusief eigendom van de woning in [plaats 1] kan verandering in deze situatie brengen, aldus [eiser]. Daarnaast sleept deze zaak zich al meer dan tien jaar voort en durft zij door de incidenten een deel van de woning niet meer te verhuren waardoor zij huurinkomsten misloopt. Ook is [eiser] recent bang geworden dat als [gedaagde] de aan hem door de politierechter opgelegde boete en schadevergoeding niet betaalt, het Centraal Jusititieel Incassobureau beslag zal leggen op de woning in [plaats 1], omdat de woning het enige vermogensbestanddeel in Nederland is dat op naam van [gedaagde] staat.
Ten aanzien van de vordering onder a betoogt [eiser] dat het spoorboekje voor de verdeling van de rechtbank van 15 december 2021 in de praktijk onuitvoerbaar is gebleken. Ondanks de bevoegdheden van [eiser] om de woning in België te (laten) verkopen, is zij in België tegen allerlei blokkades aangelopen, voornamelijk omdat [gedaagde] niet aan de verkoop van de woning wil meewerken. [eiser] heeft oplossingen om uit deze impasse te komen aan [gedaagde] voorgesteld, maar hij heeft hier niet op gereageerd. Mr. [betrokkene 2] acht zich daarnaast niet bevoegd om mee te werken aan een andere wijze van verdeling dan de door deze rechtbank vastgestelde wijze.
Ten aanzien van de vordering onder b stelt [eiser] dat in het verstekvonnis [gedaagde] al was veroordeeld tot stipte betaling van zijn deel van de hypotheeklasten van de woning in België. Nu moet [gedaagde] volgens haar de volledige lasten dragen.
Ten aanzien van de vordering onder c betoogt [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig zou handelen door een beroep op tussentijdse overbedeling van [eiser] te doen, omdat hij opzettelijk haar aandeel in de woning in België niet zal uitbetalen en geen verhaal zal bieden. Een eventuele aanspraak op tussentijdse afrekening zou dan ook misbruik van recht opleveren.
[gedaagde] heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij het niet eens is met het verdelingsvonnis en voert als enige verweer dat [eiser] nog € 6.000.000,00 aan hem is verschuldigd.
Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader ingaan.
4 De beoordeling
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] toewijzen. Hij zal hierna toelichten hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen, waarbij vereist is dat [eiser] een spoedeisend belang heeft.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft, omdat [eiser] na vier bizarre geweldsincidenten met recht bang is voor [gedaagde]. Weliswaar heeft hij tot tweemaal toe een contact- en gebiedsverbod opgelegd gekregen, maar de politie heeft te kennen gegeven dat zij niet zullen ingrijpen zolang [gedaagde] in zijn eigen woning is. De angst van [eiser] dat [gedaagde] de woning in [plaats 1] weer binnen zal dringen is daarom reëel. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [eiser] gegeven.
De woning in [plaats 1] komt op naam van [eiser]
vordert onder a dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste toestemming/handtekening van [gedaagde] voor de notariële levering van zijn aandeel in de woning in [plaats 1] aan [eiser]. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat de rechters in zijn rechtszaken corrupt waren en dat [eiser] nog € 6.000.000,00 aan hem moet betalen.
De voorzieningenrechter zal de vordering als gevorderd toewijzen. Hij zal aan het standpunt van [gedaagde] ter zitting voorbijgaan, omdat die dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter overweegt verder dat bij het vonnis van 15 december 2021 de wijze van verdeling is vastgesteld waarbij onder andere de woning in [plaats 1] aan [eiser] werd toegedeeld en de woning in België verkocht moest worden. Na verkoop van de woning in België moest [eiser] de woning in [plaats 1] binnen drie maanden notarieel aan haar laten toedelen. Het vonnis van de rechtbank is door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd. Tegen het arrest heeft geen van partijen cassatie ingesteld. De voorzieningenrechter gaat in beginsel daarom uit van deze verdeling. Het vonnis heeft echter slechts ten dele soelaas voor partijen geboden. Aan de ene kant is de woonboot verkocht. Van de verkoopopbrengst is daarna onder meer de aan de woning in [plaats 1] verbonden hypothecaire geldlening van de Rabobank waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk waren, afgelost. Aan de andere kant is de woning in België nog steeds niet verkocht en staat ook de woning in [plaats 1] nog altijd op naam van beide partijen. De verkoop van de woning in België is volgens [eiser] in de praktijk voornamelijk door toedoen van [gedaagde] problematisch gebleken ondanks de benoeming van een onzijdig persoon. [gedaagde] heeft dit niet betwist, zodat voldoende aannemelijk is dat dit het geval is. Om deze redenen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de volgorde zoals de rechtbank die voor ogen had niet meer praktisch uitvoerbaar en was [eiser] genoodzaakt om deze kortgedingprocedure te starten. Zij woont nog altijd in de woning te [plaats 1] en heeft recht en belang bij toedeling van die woning aan haar. Ze vraagt in de kern niets anders dan wat haar in rechte is toebedeeld, maar heeft voor de praktische uitvoerbaarheid daarvan dit vonnis nodig, omdat [gedaagde] weigert zijn medewerking te verlenen en ook mr. [betrokkene 2] zich in een impasse acht. Haar vordering is dan ook toewijsbaar, zij het onder hierna te noemen voorwaarde. De inschrijving geschiedt vervolgens conform 3:301 BW.
De advocaat heeft ter zitting bevestigd dat de vordering van [eiser] niet alleen de doorhaling van [gedaagde] als mede-eigenaar van de woning in [plaats 1] omvat, maar dat daarin ook moet worden gelezen dat [gedaagde] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de nog aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen van de ING. [eiser] heeft immers onbetwist ter zitting haar standpunt aangevuld met dat zij deze hypothecaire geldleningen bij de levering van het aandeel in de woning van [gedaagde] aan haar volledig zal aflossen en dat zij daartoe na de verkoop van de woonboot in staat is.
[gedaagde] moet de lasten van de woning in Belgïe volledig dragen
[eiser] vordert onder b dat de voorzieningenrechter [gedaagde] gebiedt om alle hypotheek- en eigenaarslasten van de woning in België te dragen, op straffe van een dwangsom. [gedaagde] heeft niets tegen deze vordering ingebracht.
De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser] en de daaraan verbonden dwangsom toewijzen, want zij is in overeenstemming met de gedachte achter de beslissing van het vonnis van de rechtbank van 15 december 2021 om tot een effectieve verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen te komen. Praktische belemmeringen hebben er echter door toedoen van [gedaagde] aan in de weg gestaan om de route die de rechtbank voor ogen had volledig uit te voeren. Nu [eiser] na uitvoering van dit kort geding vonnis in haar eentje zal opdraaien voor de lasten van de woning in [plaats 1], en [gedaagde] daar dus niet meer aan mee hoeft te betalen, ligt het voor de hand dat zij niet meer ook in de lasten van de woning in België hoeft te delen. Het ligt in de macht van [gedaagde] om te komen tot een snelle verkoop van die woning, als hij daar niet zelf wil gaan wonen.
De gevorderde dwangsom leest de voorzieningenrechter zo dat [gedaagde] een dwangsom van € 1.000,00 ineens zal verbeuren als hij de lasten van de woning in België niet volledig zal voldoen, en vervolgens een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij daarmee in gebreke blijft. De voorzieningenrechter zal de toe te wijzen dwangsom daarnaast maximeren zoals vermeld in de beslissing.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] verbieden tussentijdse afrekening te vorderen
[eiser] vordert onder c dat de voorzieningenrechter [gedaagde] verbiedt om aanspraak te maken op tussentijds afrekenen op grond van tijdelijke overbedeling van [eiser], en wel totdat het pand in België ofwel verkocht ofwel is overgenomen door [gedaagde] ofwel partijen anderszins definitief gescheiden en gedeeld hebben. [gedaagde] heeft ook tegen deze vordering ter zitting niets ingebracht.
De voorzieningenrechter zal de vordering toewijzen, want ook deze vordering ligt in het verlengde van de gedachte achter het vonnis van de rechtbank van 15 december 2021. Het ligt daarom in de rede om de afrekening tussen partijen pas plaats te laten vinden als de overwaarde op de woning in België ook becijferd is en bij die afrekening betrokken kan worden.
De voorzieningenrechter ziet in de al jaren durende weigerende houding van [gedaagde] aanleiding hem als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure (inclusief de nakosten) te veroordelen. De voorzieningenrechter begroot de proceskosten van [eiser] op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
760,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.443,02 |
De voorzieningenrechter zal dit vonnis in kort geding tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing van de voorzieningenrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
gelast dat dit vonnis in de plaats treedt van de wettelijk vereiste toestemming/handtekening van [gedaagde], geboren op [geboortedatum 1] 1948 te [plaats 3] in de transportakte, dan wel een deel daarvan, voor de levering van het woonhuis aan de [adres 1] te [plaats 1], kadastraal bekend gemeente [plaats 1], [kadaster nummer], groot 1 are en 28 centiare aan [eiser], geboren op [geboortedatum 2] 1955 te [plaats 4] – onder doorhaling van [gedaagde] als mede-eigenaar, onder de voorwaarde dat [gedaagde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betreffende hypothecaire geldleningen van de ING Bank,
gebiedt [gedaagde] gebiedt alle hypotheek- en overige eigenaarslasten inclusief onderhoud en belastingen behorende bij het pand in [adres 3] te [plaats 2], België, volledig te blijven voldoen, en wel vanaf de datum van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom ineens van € 1.000,00 wanneer [gedaagde] in gebreke blijft de volledige kosten van dit pand te voldoen en vervolgens een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] te laat is met voldoen van deze verplichtingen met een maximum van € 100.000,00,
verbiedt [gedaagde] om aanspraak te maken op tussentijds afrekenen op grond van tijdelijke overbedeling van [eiser], en wel totdat het pand in België ofwel verkocht ofwel is overgenomen door [gedaagde] ofwel partijen anderszins definitief gescheiden en gedeeld hebben,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.443,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.
1835