Intellectueel-eigendomsrecht

Merkenrecht. Maakt 'The Future Looks Bright' inbreuk op Beneluxmerk BRIGHT? Bestaand woord. Gangbaar taalgebruik.

Rechtbank Noord-Holland, 18 september 2026

Zaakgegevens

Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over intellectueel-eigendomsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
18 september 2026
Datum publicatie
21 september 2026
Zaaknummer
C/15/381964
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:12590
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Merkenrecht. Maakt 'The Future Looks Bright' inbreuk op Beneluxmerk BRIGHT? Bestaand woord. Gangbaar taalgebruik.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/381964 / KG ZA 26-519

Vonnis in kort geding van 18 september 2026

in de zaak van

1 PXR MEDIA B.V.,

te Amsterdam-Duivendrecht,

2. BRIGHT B.V.,

te Amsterdam- Duivendrecht,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: PXR en Bright en afzonderlijk respectievelijk PXR en Bright,

advocaten: mr. M.B. van Oostrum en mr. J.P. de Koning,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [bedrijf],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [bedrijf]

advocaten: mr. A.A.H.M. van der Wijst en mr. M. Kahya,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de betekende dagvaarding van 9 september 2026 met in totaal 14 producties;

- producties 15 tot en met 24 van PXR en Bright

- de conclusie van antwoord met 9 producties

- de mondelinge behandeling van 15 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de spreekaantekeningen van de advocaten van PXR en Bright

- de spreekaantekeningen van de advocaten van [bedrijf] .

2 De feiten

2.1.

PXR is houder van het op 20 januari 2006 aangevraagde en op 14 december 2009 ingeschreven Benelux woordmerk BRIGHT voor diverse waren en diensten in klassen 9, 16, 35, 38 en 41 (o.a. voor het organiseren van congressen en beurzen). Bright is – met toestemming van PXR – gebruiker van het merk BRIGHT.

2.2.

[bedrijf] is de eenmanszaak van [gedaagde] . [bedrijf] gebuikt het teken ‘The Future Looks Bright’ sinds 2024 ter aanduiding van door hem georganiseerde evenementen, waarvan de eerstvolgende gepland staat op 21 en 22 september 2026. Diezelfde aanduiding is (naast o.a. [bedrijf] ) als handelsnaam voor de onderneming van [gedaagde] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en is ook als domeinnaam geregistreerd. In maart 2026 heeft [gedaagde] de besloten vennootschap The future looks bright B.V. opgericht en laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel.

3 Het geschil

3.1.

PXR en Bright vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. [bedrijf] te bevelen om, met onmiddellijke ingang na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, iedere inbreuk op het Bright Merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden door ieder gebruik van het teken ‘The Future Looks Bright’ te staken en gestaakt te houden, waaronder in ieder geval begrepen ieder gebruik op de Websites, als handelsnaam, in de domeinnamen van de Websites, op T-shirts, op banners en op andere fysieke (promotie)materialen;

2. [bedrijf] te veroordelen om aan PXR een dwangsom van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) te betalen voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [bedrijf] in strijd handelt of laat handelen met het hiervoor onder sub 1 gevorderde, met een maximum van EUR 250.000,-; en

3. [bedrijf] te veroordelen in de kosten van dit geding, bestaande uit gerechtskosten en de andere feitelijk door PXR gemaakte kosten, waaronder het volledige salaris en de voorschotten van haar advocaten in de zin van artikel 1019h Rv, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag ter vergoeding van de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die PXR heeft gemaakt.

3.2.

PXR en Bright leggen aan hun vorderingen – kort gezegd – ten grondslag dat [bedrijf] met het door hem gebruikte teken ‘The Future Looks Bright’ inbreuk maakt op het door PXR gehouden merk BRIGHT, primair omdat sprake is van verwarringsgevaar op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b van het Benelux-verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (hierna: BVIE) (en ook aan de overige vereisten van dit artikel is voldaan), subsidiair omdat [bedrijf] het teken van PXR zonder toestemming of geldige reden gebruikt als handelsnaam en in de domeinnamen <http://thefuturelooksbright.nl/> en <http://thefuturelooksbright.eu/> en daarmee ongerechtvaardigd voordeel uit het onderscheidend vermogen en de reputatie van het merk BRIGHT trekt en hierdoor bovendien het gevaar bestaat dat het onderscheidend vermogen van het merk BRIGHT verwatert, een en ander als bedoeld artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE.

3.3.

[bedrijf] voert verweer en concludeert – samengevat – primair tot niet-ontvankelijkheid van PXR en Bright wegens het ontbreken van spoedeisend belang althans wegens rechtsverwerking, subsidiair tot afwijzing van hun vorderingen omdat PXR en Bright geen normaal gebruik van het merk Bright hebben gemaakt voor de diensten waar het in deze zaak om gaat en [bedrijf] om die reden ook al een verzoek tot doorhaling bij het BBIE heeft ingediend. Meer subsidiair verzoekt [bedrijf] de vorderingen af te wijzen wegens het ontbreken van verwarringsgevaar (art. 2.20 lid 2 sub b BVIE) en omdat geen sprake is van ongerechtvaardigd voordeel trekken uit het merk BRIGHT of gevaar voor verwatering van dat merk (art. 2.20 lid 2 sub d BVIE), althans wegens een beroep op eerlijk gebruik in de zin van art. 2.23 lid 1 BVIE. Uiterst subsidiair verzoekt [bedrijf] – voor het geval de vorderingen van PXR en Bright mochten worden toegewezen – de dwangsom en ingangsdatum daarvan te matigen respectievelijk op een latere datum te stellen dan gevorderd, een en ander met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PXR en Bright in de werkelijke kosten van deze procedure in de zin van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.4.

Op de stellingen van partijen gaat de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader in.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Gelet op het feit dat de gedaagde partij ( [gedaagde] / [bedrijf] ) zijn woonplaats in het arrondissement van de rechtbank Noord-Holland heeft, stelt de voorzieningenrechter ambtshalve vast dat deze rechtbank op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE bevoegd is om over dit geschil te oordelen.

Spoedeisend belang

4.2.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat PXR en Bright daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt af van de afweging van de belangen van partijen.

4.3.

Bij de beoordeling van het spoedeisend belang staat voorop dat een vordering die beoogt een einde te maken aan een (gestelde) voortdurende inbreuk op merkrechten in beginsel als spoedeisend kan worden aangemerkt. De omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat spoedeisendheid ontbreekt. De vraag of een eisende partij in kort geding een voldoende spoedeisend belang heeft bij het gevraagde verbod moet beantwoord worden aan de hand van een afweging van alle betrokken belangen, beoordeeld naar het moment van de uitspraak. Volgens vaste rechtspraak in kort geding in IE-zaken kan stilzitten van de eisende partij ertoe leiden dat het spoedeisend belang aan haar verbodsvordering komt te ontvallen. Dit zal het geval zijn indien dit stilzitten langere tijd heeft aangehouden en er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat na dat tijdsverloop oplegging van de gevraagde voorziening (alsnog) gerechtvaardigd is.

4.4.

Anders dan [bedrijf] heeft betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat PXR en Bright een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Zelfs indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat PXR en Bright al in maart van dit jaar zouden hebben geweten of hebben kunnen weten van het gebruik door [bedrijf] van het teken ‘The Future Looks Bright’, zoals PXR en Bright hebben betoogd, dan had ook een op dát moment ingestelde bodemprocedure de gestelde inbreuk door [bedrijf] op het merk BRIGHT niet tijdig (vóór aanvang van het door [bedrijf] georganiseerde evenement op 21 en 22 september a.s.) kunnen beëindigen. Daarmee is de spoedeisendheid gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben PXR en Bright bovendien ter zitting onbetwist aannemelijk gemaakt dat zij vanaf het eerste moment van hun daadwerkelijke wetenschap van het gebruik van het teken ‘The Future Looks Bright’ door [bedrijf] voldoende voortvarend gehandeld om verdere merkinbreuk te voorkomen. Van rechtsverwerking is naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter gelet op dit alles evenmin sprake.

Normaal gebruik van het Bright-merk

4.5.

[bedrijf] voert aan dat PXR en Bright na 2019 geen normaal gebruik van het merk BRIGHT hebben gemaakt voor de diensten "organisatie van commerciële beurzen" (klasse 35) en "organisatie van educatieve beurzen en exposities", "organisatie van feesten" en "organisatie van congressen" (klasse 41) en dat dit tot vervalbaarheid van het merk wegens Non Usus leidt. Daartoe heeft [bedrijf] ook een procedure tot verval van het merk aanhangig gemaakt bij het BBIE.

4.6.

PXR en Bright hebben er – vooruitlopend op hun verweer in de procedure bij het BBIE – op gewezen dat zij het merk in de afgelopen 5 jaar hebben gebruikt, als gevolg waarvan, voor zover het merk al vervallen zou zijn, hetgeen PXR en Bright betwisten, sprake is van zgn. Heilung van het merk.

4.7.

Voor een uitgangspunt waarbij wordt uitgegaan van het verval van het woordmerk BRIGHT is in dit kort geding slechts plaats indien in zodanige mate aannemelijk is dat het BBIE de vordering strekkende tot vervallenverklaring zal toewijzen dat daar in dit kort geding op vooruit kan worden gelopen. Daarvan is geen sprake. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben PXR en Bright namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat het merk in de afgelopen vijf jaar is gebruikt voor onder meer beurzen / evenementen. Daarmee is voorshands onvoldoende aannemelijk dat het BBIE de vordering tot verval van het merk wegens Non Usus (integraal) zal toewijzen. Om die reden kan dit verweer niet slagen. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Merkinbreuk

4.8.

De voorzieningenrechter moet beoordelen of in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk is geworden dat de rechter in een bodemprocedure tot de conclusie zal komen dat sprake is van merkinbreuk door [bedrijf] . De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.

Merkinbreuk – art. 2.20 lid 2 sub b BVIE?

4.9.

PXR en Bright hebben aan hun vordering primair artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE ten grondslag gelegd. Op grond van dit artikel kan de merkhouder (en op grond van artikel 2.32 lid 4 BVIE ook de licentiehouder, waarvan voor de strekking van dit kort geding moet worden aangenomen dat Bright dat is) iedere derde die zonder toestemming gebruik maakt van een teken wanneer dit teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt met betrekking tot gelijke of overeenstemmende waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, verbieden dat teken te gebruiken, indien daardoor bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, ook wanneer die verwarring het gevolg is van associatie met het oudere merk.

Geen toestemming

4.10.

Dat [bedrijf] geen toestemming van PXR en Bright heeft voor het gebruik van het teken ‘The Future Looks Bright’, is niet in geschil en volgt ook uit de aard van de vordering.

Gelijke of overeenstemmende tekens

4.11.

De volgende vraag is of het woordmerk van PXR gelijk is aan of overeenstemt met het door [bedrijf] gebruikte teken. Dat merk en teken niet gelijk zijn, is tussen partijen niet in geschil. Wel komt het woordmerk BRIGHT integraal terug in het door [bedrijf] gebruikte teken ‘The Future Looks Bright’. Het laatste woord van dat teken ís immers het woordmerk van PXR. En (dat deel van) het teken van [bedrijf] stemt zowel visueel, auditief als begripsmatig overeen met het woordmerk BRIGHT van PXR. Weliswaar zijn het woordmerk en het teken als zodanig dus niet gelijk, maar er is wel sprake van (deels) overeenstemmende tekens.

Gebruik in het economisch verkeer voor waren of diensten

4.12.

Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of [bedrijf] het teken ook in het economisch verkeer gebruikt voor waren of diensten. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. [bedrijf] heeft niet weersproken dat hij de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ al sinds 2024 gebruikt ter aanduiding van door hem georganiseerde evenementen waarvoor hij een aanzienlijke toegangsprijs vraagt. Ook de inschrijving als handelsnaam en de registratie van de domeinnamen van datzelfde teken wijzen erop dat [bedrijf] het teken gebruikt voor zijn commerciële activiteiten. Tevens staat het teken vermeld op de ‘aankleding’ van het evenement (ter zitting heeft [bedrijf] een ‘goodiebag’ in de vorm van een rugzak met het teken ‘The Future Looks Bright’ erop getoond en een bidon van het evenement van 2025 met datzelfde teken erop). Alles bij elkaar is dan ook voldoende aannemelijk dat het teken in het economisch verkeer wordt gebruikt voor diensten van [bedrijf] .

Gebruik voor gelijke of overeenstemmende waren of diensten

4.13.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of er ook sprake is van overeenstemmende waren of diensten. Ook dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Het volgende is voor dat oordeel van belang.

4.14.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebruikt [bedrijf] het teken ‘The Future Looks Bright’ ter aanduiding van diensten die gelijksoortig zijn aan diensten waarvoor het merk BRIGHT is ingeschreven. Zoals volgt uit hetgeen onder 4.12 is overwogen is het door [bedrijf] georganiseerde evenement de dienst die hij onder dat teken aanbiedt. Ook PXR en Bright organiseren evenementen. En hoewel partijen van mening verschillen over de vraag of de door hen georganiseerde evenementen gelijk zijn (zowel de doelgroep als de prijs voor deelname aan het evenement verschillen), is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het in ieder geval (voldoende) overeenstemmende diensten in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE zijn. Zowel [bedrijf] als PXR en Bright hanteren het respectieve teken en merk immers voor het organiseren van beurzen en congressen die (mede) verband houden met de energiesector en energietransitie. Ook als het verweer van [bedrijf] wordt gevolgd dat de inhoud, opzet en doelgroep van die evenementen van elkaar verschillen, laat dat onverlet dat beide partijen – ieder op hun eigen manier en met hun eigen invulling – (betaalde) samenkomsten organiseren om de voor hun ondernemingen relevante doelgroep te bereiken. Beide partijen bieden dus dezelfde soort diensten aan, die onder dezelfde noemer kunnen worden geschaard: het organiseren van beurzen en evenementen die (mede) verband houden met de energiesector en energietransitie. Dat de omvang en toegangsprijs voor die evenementen van elkaar afwijken en dat de door partijen aangeboden diensten mogelijk gericht zijn op een (deels) andere doelgroep, doet niet af aan de gelijksoortigheid van die diensten als zodanig. Wel kunnen de onderlinge verschillen een factor zijn bij de beoordeling van een eventueel verwarringsgevaar tussen merk en teken.

Verwarringsgevaar

4.15.

Of er sprake is van verwarringsgevaar moet volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) globaal worden beoordeeld met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder de mate van overeenstemming van de conflicterende tekens en van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten, de mate van bekendheid van het oudere merk en de mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk. Naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter is niet voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zou komen dat sprake is van verwarringsgevaar (en dus van merkinbreuk) op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. De voorzieningenrechter zal dit hierna toelichten.

mate van overeenstemming

4.16.

Hoewel hiervoor in 4.11 is geoordeeld dat het woordmerk BRIGHT en het teken ‘The Future Looks Bright’ (deels) overeenstemmen, contstateert de voorzieningenrechter ook in het oog springende verschillen. Om te beginnen bestaat het woordmerk BRIGHT slechts uit dat ene woord, terwijl het door [bedrijf] gebruikte teken een gehele zin beslaat. Die zin is bovendien een in de Engelse taal veelvoorkomende samenstelling en maakt daar onderdeel uit van het normale spraakgebruik. Hoewel er dus sprake is van een zekere mate van overeenstemming, is deze overeenstemming naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter beperkt.

mate van onderscheidend vermogen

4.17.

Met PXR en Bright is de voorzieningenrechter van oordeel dat het woordmerk BRIGHT niet louter beschrijvend is voor de ingeschreven waren en diensten van PXR en Bright. Die diensten zijn immers – voor zover in dit geschil van belang – hoofdzakelijk het uitgeven van (online) magazines en het organiseren van evenementen. Voor geen van die activiteiten is het woord ‘bright’ een beschrijvende term. In die zin heeft het woordmerk BRIGHT dus onderscheidend vermogen voor de door Bright aangeboden waren en diensten. Tegelijkertijd gaat het om een bestaand (Engels) woord. Gezien de betekenis van dit woord is de aantrekkingskracht ervan als merk begrijpelijk. Tegelijkertijd heeft een dergelijke gangbare, Engelse term naar zijn aard minder onderscheidend vermogen dan een fantasienaam.

Beperkte beschermingsomvang

4.18.

Zoals gezegd is ‘bright’ een bestaand woord in de Engelse taal (met als Nederlandse vertaling ‘helder’, ‘fel’ of ‘rooskleurig’). Dat brengt met zich dat ook anderen dan de houder en licentienemer(s) van het merk BRIGHT zich van dat woord moeten kunnen en mogen bedienen. Dat geldt temeer in het geval waarin dat woord wordt gebruikt in een (slag)zin of slogan, zeker als die wordt gevormd door een zin die als geheel óók onderdeel uitmaakt van (en een zelfstandige betekenis heeft in het) gangbaar taalgebruik. Met [bedrijf] is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat het geval is bij de door hem gebruikte aanduiding ‘The Future Looks Bright’. Dat had anders kunnen zijn indien PXR zou hebben gekozen voor een ‘fantasienaam’ als merk, maar zij heeft er – naar moet worden aangenomen bewust – voor gekozen om een bestaand woord als merk te registreren. Zoals [bedrijf] ter zitting terecht heeft betoogd, heeft PXR daarmee ook het risico genomen dat de beschermingsomvang van dat merk in voorkomende gevallen beperkter kan zijn, en in het onderhavige geval dus ook is. Het merkenrecht is namelijk niet bedoeld om woorden uit het gangbaar taalgebruik te monopoliseren.

Manier waarop het bestanddeel ‘Bright’ wordt gebruikt

4.19.

Het merk van PXR en het bestreden teken hebben slechts één bestanddeel gemeen, welk bestanddeel bovendien een geringe beschermingsomvang heeft. Verder worden merk en teken in de praktijk ook anders gebruikt. BRIGHT heeft tot nu toe met name evenementen georganiseerd onder benamingen die beginnen met het woord BRIGHT (BrightLive, Bright Night, Bright Day, Bright E-bike Party, Bright Energy Party), terwijl de evenementen die [bedrijf] sinds 2024 organiseert worden aangeduid met een teken waarin het overeenstemmende bestanddeel juist aan het einde van de (slag)zin staat: ‘The Future Looks Bright’.

Conclusie: geen verwarringsgevaar

4.20.

Globaal beoordeeld met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, is de voorzieningenrechter op grond van het voorgaande van oordeel dat van verwarringsgevaar geen sprake is. Aan dat oordeel draagt bij dat PXR ter zitting desgevraagd heeft erkend dat van enige verwarring tussen BRIGHT en ‘The Future Looks Bright’ in de praktijk tot op heden niet concreet aantoonbaar is gebleken, terwijl merk en teken – én het onder de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ georganiseerde evenement – kennelijk al een aantal jaar zonder problemen naast elkaar bestaan. Nu partijen in die periode kennelijk zonder enige vorm van verwarring onder hun doelgroep(en) op (deels) dezelfde markt opereren, acht de voorzieningenrechter de kans op het alsnog ontstaan van dat gevaar, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. De vermeende bekendheid van het merk BRIGHT doet hier niet aan af. Dat een spreker op het door PXR en/of Bright georganiseerde evenement op het laatste moment heeft afgezegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen aanwijzing voor verwarringsgevaar. Ter zitting heeft [bedrijf] immers onweersproken nader toegelicht dat deze afzegging geen gevolg was van een verwarring(sgevaar) tussen merk en teken, maar te maken had met het feit dat de spreker in kwestie (‘[betrokkene]’) al (veel) eerder door [bedrijf] geboekt bleek te zijn en zelf niet in het juridische geschil tussen partijen over de aanduiding ‘Bright’ verzeild wilde raken.

4.21.

Conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen voor zover deze is gegrond op artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE falen.

Merkinbreuk – art. 2.20 lid 2 sub d BVIE?

4.22.

PXR en Bright hebben hun vorderingen subsidiair gegrond op artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.

4.23.

Inbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE ziet alleen op gebruik van een teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. Gelet op het feit dat [bedrijf] – zoals hij ter zitting bij monde van zijn advocaat ook heeft erkend – het teken ‘The Future Looks Bright’ naast ‘ [bedrijf] ’ (alsmede een vijftal andere aanduidingen) in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft gedeponeerd als handelsnaam, en diezelfde aanduiding ook als domeinnaam heeft geregistreerd, is aan deze voorwaarde voldaan.

4.24.

Voor inbreuk op ‘de d-grond’ is verder vereist dat door gebruik van het teken (in dit geval dus ‘The Future Looks Bright’), zonder geldige reden, ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk BRIGHT.

4.25.

In de dagvaarding en ter zitting hebben PXR en Bright gesteld dat van reputatieschade aan het merk BRIGHT (vooralsnog) geen sprake is. Wel hebben zij gesteld dat er sprake is van het ongerechtvaardigd voordeel trekken uit het merk BRIGHT en dat er een gevaar is voor afbreuk aan het onderscheidend vermogen van het merk BRIGHT.

Geen ongerechtvaardigd voordeel trekken

4.26.

Van het ongerechtvaardigd voordeel trekken uit een merk is sprake in het geval van ‘meeliften’ (ook wel freeriding of ‘kielzogvaren’ genoemd) van degene die gebruik maakt van het overeenstemmende teken. Voor een geslaagd beroep daarop is echter de intentie van de beweerdelijk inbreukmaker op dat meeliften vereist, terwijl die intentie van [bedrijf] daarop gesteld noch gebleken is en dus niet aannemelijk is geworden. Niet is immers gesteld of aannemelijk geworden dat [bedrijf] probeert van de aantrekkingskracht, de reputatie of het prestige van het merk BRIGHT te profiteren of voordeel te halen uit de commerciële inspanning die PXR heeft gedaan om het imago van het merk BRIGHT te creëren en te onderhouden.

Geen gevaar voor verwatering

4.27.

PXR en Bright hebben verder nog betoogd dat het risico van verwatering van het merk BRIGHT dreigt als [bedrijf] het door haar gebruikte teken mag blijven gebruiken als aanduiding voor haar evenementen. Gevaar voor verwatering is het risico dat door gebruik van een overeenstemmend teken zonder dat gevaar voor verwarring bestaat en als gevolg van associaties, het oudere merk uiteindelijk niet meer in staat is de exclusieve band met de door dit merk onderscheiden producten te leggen. Een dergelijk gevaar is hier niet aannemelijk geworden. Ook hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het merk BRIGHT een bestaand woord is met een bestaande alledaagse betekenis in het Engelse taalgebruik. Naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter doet het gebruik van het woord bright op de hierboven geschetste wijze en in de hierboven geschetste omstandigheden geen afbreuk aan het onderscheidend vermogen van het merk BRIGHT. Zoals hiervoor is overwogen, kan PXR niet ieder gebruik van dat woord monopoliseren door het enkele feit dat zij dat woord als merk heeft laten registreren.

4.28.

Conclusie van het bovenstaande is dat de vorderingen ook voor zover deze is gegrond op artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE falen en dat de voorzieningenrechter de vorderingen van PXR en Bright dus zal afwijzen.

Proceskosten

4.29.

PXR en Bright zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Beide partijen zijn het erover eens dat hun geschil 100% IE-rechtelijk is en dat ten aanzien van de proceskosten moet worden aangesloten bij de Indicatietarieven in IE-zaken voor ‘normale’ zaken in kort geding. Omdat de advocaatkosten van [bedrijf] het desbetreffende tarief niet overstijgen, zal de voorzieningenrechter de proceskosten van [bedrijf] begroten op:

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

11.165,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

11.695,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van PXR en Bright af,

5.2.

veroordeelt PXR en Bright hoofdelijk in de proceskosten van € 11.695,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als PXR en Bright niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

936

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.

Vgl. HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0273 (Red Bull/Osborne).