Personen- en familierecht

Tussenvonnis in kort geding over opschorten zorgregeling en vervangende toestemming voor inschakelen…

Rechtbank Noord-Holland, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/382025
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. P.M. de Vries, mr. B. Röpcke
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:14637
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenvonnis in kort geding over opschorten zorgregeling en vervangende toestemming voor inschakelen professionele hulp minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/382025 / KG ZA 26-523

Vonnis in kort geding van 27 oktober 2026

in de zaak van

[de moeder] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.M. de Vries,

tegen

[de vader] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B. Röpcke.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 18

- de aanvullende producties 19 tot en met 29 van de vader

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens aanvulling eis in conventie
- de mondelinge behandeling van 20 oktober 2026
- de pleitnota van de moeder
- de pleitnota van de vader.

1.2.

Voor de mondelinge behandeling op 20 oktober 2026 zijn verschenen de moeder, bijgestaan door mr. De Vries en de vader bijgestaan door mr. Röpcke.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover op 14 oktober 2026 een gesprek gevoerd met de voorzieningenrechter. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter aan de ouders voorgehouden wat [de minderjarige] heeft verteld.

1.4.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in 2017 geëindigd.

Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [plaats] hun dochter [de minderjarige] geboren ( [de minderjarige] ). Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] heeft vele jaren haar hoofdverblijf bij haar moeder gehad. De laatst uitgevoerde zorgregeling van de vader met [de minderjarige] hield in dat [de minderjarige] van donderdag uit school tot vrijdag naar school en om de week van donderdag uit school tot maandag naar school bij de vader verbleef. Verder was er een (vast) belmoment op zondag.

2.3.

De vader heeft in mei 2025 de rechtbank Den Haag verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 18 juli 2025 afgewezen.

2.4.

De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking en het gerechtshof Den Haag heeft deze bij beschikking van 15 juli 2026 vernietigd en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van 1 augustus 2026 bij de vader bepaald. Daarbij is bepaald dat de moeder met [de minderjarige] dezelfde zorgregeling zal hebben als de vader had met [de minderjarige] de ene week van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend voor school en de andere week van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend voor school. In de hoger beroepsprocedure was een bijzonder curator aangesteld om de belangen van [de minderjarige] te vertegenwoordigen.

2.5.

[de minderjarige] woont sinds ongeveer twee maanden bij haar vader in [plaats] en zit in het eerste jaar van het [school] ( [school] ). Kort na aanvang van het schooljaar, op 19 augustus 2026, heeft [de minderjarige] op school tijdens een kennismaking met haar mentor verteld dat zij zich bij haar moeder niet veilig voelt en dat zij daardoor suïcidale gedachten heeft. Het [school] heeft beide ouders hierover geïnformeerd.

2.6.

Toen de moeder [de minderjarige] op 27 augustus 2026 overeenkomstig de zorgregeling bij school wilde ophalen, in aanwezigheid van twee vriendinnen van [de minderjarige] , wilde [de minderjarige] niet met haar mee. Moeder is toen zonder [de minderjarige] weer vertrokken. Omdat [de minderjarige] door de komst van moeder overstuur was geraakt heeft de school vader verzocht om haar op te halen. De advocaat van moeder heeft de vader op 28 augustus 2026 aangeschreven dat hij de zorgregeling moest nakomen.

2.7.

Op 1 september 2026 heeft vader met [de minderjarige] op school een kennismakingsgesprek gevoerd met de teamleider en mentor. De bedoeling was dat ook moeder bij dit gesprek aanwezig zou zijn maar die heeft dringend verzocht om een afzonderlijk kennismakingsmoment om te voorkomen dat [de minderjarige] in een ernstig loyaliteitsconflict tussen haar ouders zou komen. In het gesprek op 1 september 2026 is onder meer gesproken over de organisatie van hulpverlening voor [de minderjarige] waarbij de school een advies van de huisarts noodzakelijk geachte. Het [school] heeft op 2 september 2026 met moeder gesproken en daarbij laten weten dat zij voortaan geen afzonderlijke gesprekken met de ouders zal voeren.

2.8.

Op 3 september 2026 wilde de moeder [de minderjarige] overeenkomstig de zorgregeling bij school ophalen, maar [de minderjarige] zei dat zij niet mee kon omdat ze die avond een eetafspraak had met een klasgenoot. De moeder is zonder [de minderjarige] vertrokken. Later die dag heeft [de minderjarige] de moeder een bericht gestuurd dat zij niet meer naar haar toe wil.

2.9.

Op 9 oktober 2026 vond op school een presentatie plaats, waarin door leerlingen gemaakte werkstukken werden getoond. Beide ouders waren uitgenodigd. Moeder heeft school van tevoren laten weten dat zij zou komen. [de minderjarige] is opnieuw overstuur geraakt omdat haar moeder naar school zou komen. Zij is vervolgens niet bij haar eigen presentatie aanwezig geweest maar heeft met haar vader in een klaslokaal gewacht totdat moeder weg zou zijn. Diezelfde dag heeft [de minderjarige] haar moeder meerdere keren proberen te bellen.

2.10.

Op 10 oktober 2026 heeft [de minderjarige] via de schoolmail een e-mail gestuurd aan haar moeder met de volgende inhoud:

[moeder] u hebt echt m'n dag verziekt ik had me verheugt op het eiland project en echt m'n best gedaan en je durf gewoon naar de school gekomen na dat ik zei dat ik u niet meer wou zien en geen contact meer wou en iedereen heeft het over het eiland project en hoe gaaf het is ik zelf had er op verheugt om het te presenteren en leuke dingen te doen maar dan komt u op dagen en ik ga huilen omdat je hebt me erg gekweldst en dan durf je nog te komen dat is echt onbeschoft en door u heb ik de leukste dag gemist van het [school] bedank echt bedankt als je nog een keer durft op te dagen ik stuur je persoonlijk weg.

2.11.

Sinds 27 augustus 2026 heeft moeder geen omgang meer gehad met [de minderjarige] .

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

De moeder vordert in conventie na eiswijziging - samengevat - dat de vader wordt veroordeeld de zorgregeling tussen moeder en [de minderjarige] zoals vastgesteld door het gerechtshof Den Haag na te komen, op straffe van een dwangsom. Verder vordert de moeder dat de vader wordt veroordeeld mee te werken aan het verlenen van toestemming aan het starten van een behandeltraject voor [de minderjarige] door Arkin Gezin en Jeugd en om mee te werken en om toestemming te geven aan [vertrouwenspersoon en ondersteuner] , gevestigd te [plaats] , om als vertrouwenspersoon en ondersteuner van [de minderjarige] aangesteld te worden en de zorgregeling (waaronder de inzet van briefbegeleiding) tussen moeder en [de minderjarige] te begeleiden waarbij binnen maximaal 8 weken na dit vonnis toegewerkt zal worden naar het naleven van de zorgregeling zoals uitgesproken door het hof Den Haag op straffe van een dwangsom.

3.2.

De moeder stelt dat de vader onrechtmatig handelt jegens haar en jegens [de minderjarige] . Zij stelt dat sprake is van ouderverstoting doordat de vader zich tegenover [de minderjarige] constant dusdanig negatief uitlaat over de moeder dat [de minderjarige] zich niet vrij voelt om naar haar moeder te gaan, met als gevolg dat er al ruim 7 weken geen contact meer is tussen moeder en [de minderjarige] . Ook stelt de moeder dat [de minderjarige] bang is om naar haar toe te komen omdat ze weet dat het niet waar is wat ze allemaal heeft verteld. Ze verklaart verder dat als zij gewoon met [de minderjarige] had kunnen praten, het allemaal nooit zover zou zijn gekomen.

3.3.

De vader voert verweer. Hij betwist dat hij [de minderjarige] bij de moeder weghoudt en voert aan dat [de minderjarige] zèlf op dit moment niet naar haar moeder toe wil. Hij verklaart dat [de minderjarige] zelf op school heeft verteld dat sprake is van een moeilijke thuissituatie bij haar moeder thuis en dat zij als gevolg daarvan ernstige en sombere gedachten heeft. Verder voert de vader aan dat [de minderjarige] meerdere keren heeft aangegeven dat zij bang is om naar haar moeder te gaan, dat zij heel erg emotioneel en heel erg boos is en dat zij daardoor zo onder druk staat dat hij haar op dit moment niet wil dwingen om naar de moeder te gaan. Volgens hem moet eerst professionele hulp voor [de minderjarige] moet worden ingeschakeld.

3.4.

In reconventie vordert de vader - samengevat - dat de voorzieningenrechter:

  1. bepaalt dat de geldende zorgregeling met betrekking tot [de minderjarige] met ingang van de datum van dit vonnis voorlopig wordt opgeschort, in afwachting van de bevindingen en een eerste evaluatie in een passend behandel- en/of hulpverlenings-traject dan, wel na psychologische begeleiding van [de minderjarige] , en totdat hierover nader rechterlijk is beslist;

  2. bepaalt dat partijen gehouden zijn hun toestemming en medewerking te verlenen aan het opstarten en doorlopen van een kindbehartigerstraject bij [Pedagogiek] Pedagogiek, dan wel, subsidiair, aan de vader vervangende toestemming verleent om ten behoeve van [de minderjarige] via een verwijzing door de huisarts psychologische begeleiding in te schakelen;

  3. iedere verdere beslissing over de hervatting dan wel opbouw van de zorgregeling aan te houden, om eerst de bevindingen en een eerste evaluatie van het hulpverleningstraject dan wel de psychologische begeleiding af te wachten, zodat mede aan de hand van de adviezen van de betrokken hulpverlener(s) kan worden beoordeeld of, en zo ja, op welke wijze, hervatting dan wel opbouw van de zorgregeling in het belang van [de minderjarige] is;

  4. subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter volledige opschorting niet aangewezen acht, een zodanige tijdelijke, zo nodig begeleide, zorgregeling vast te stellen als de voorzieningenrechter in het belang van [de minderjarige] geraden acht, waarbij rekening wordt gehouden met haar belastbaarheid en de bevindingen en adviezen van de betrokken hulpverlening;

  5. aan de vader vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [de minderjarige] bij huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] ,

  6. voor zover vereist, aan de vader vervangende toestemming te verlenen voor de overdracht van het medisch dossier van [de minderjarige] aan huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] .

3.5.

De moeder voert verweer op de gronden die zij in conventie heeft aangevoerd.

3.6.

De voorzieningenrechter gaat hierna in op de stellingen van partijen voor zover hier relevant.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen de vorderingen gezamenlijk worden behandeld en beoordeeld.

4.2.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voldoende volgt uit de geschetste omstandigheden en het feit dat aan de zorgregeling tussen moeder en [de minderjarige] momenteel geen uitvoering wordt gegeven.

Ten aanzien van de zorgregeling

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het zorgelijk is dat er momenteel in het geheel geen omgang/contact is tussen [de minderjarige] en haar moeder. Echter, op grond van de inhoud van de stukken en het gesprek dat de voorzieningenrechter met [de minderjarige] heeft gevoerd en de daarbij door [de minderjarige] aan de voorzieningenrechter ter hand gestelde brief is voldoende aannemelijk dat het per direct hervatten van de omgangsregeling van [de minderjarige] met haar moeder, op dit moment een stap te ver is. Het signaal dat [de minderjarige] heeft afgegeven moet serieus worden genomen, ongeacht wat er precies is voorgevallen tussen haar en haar moeder. Ook indien aannemelijk zou zijn dat de gedachten en gevoelens die [de minderjarige] heeft omtrent het gedrag van moeder in betekenende mate zijn toe te schrijven aan beïnvloeding door de vader, zijn dat wel gedachten en gevoelens die reëel aanwezig zijn en als zodanig de behoeften van [de minderjarige] sturen.

Het belang van [de minderjarige] is leidend in deze en op dit moment verzet [de minderjarige] zich zo hevig tegen hervatten van de omgangsregeling dat het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] geacht kan worden om haar, zonder dat passende hulpverlening voor haar is gestart, te dwingen weer conform de laatstelijk vastgestelde zorgregeling omgang te hebben met haar moeder.

4.4.

Partijen moeten zich realiseren dat [de minderjarige] al vanaf het moment dat haar ouders in 2017 uit elkaar gegaan zijn te maken heeft gehad met de strijd en de spanningen tussen die ouders, zonder dat zij daar zelf enige verandering in kon brengen. Daarbij komt ook dat zij haar vader ruim twee jaar niet heeft gezien na een beschuldiging van seksueel misbruik door vader, waarvan [de minderjarige] uiteindelijk heeft verklaard dat het niet waar was (en waarvoor in de stukken ook geen spoor van bewijs is te vinden). Duidelijk is dat [de minderjarige] last heeft en heeft gehad van de voortdurende strijd en de daardoor aanwezige spanningen en dat bij [de minderjarige] inmiddels sprake is van een fors loyaliteitsconflict, waardoor zij niet altijd durft te zeggen wat zij wil uit angst om haar moeder of vader te kwetsen.

4.5.

Moeder wijt het hieraan dat [de minderjarige] nu verteld heeft dat zij bang is bij moeder en het niet fijn vindt bij moeder, maar uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] inmiddels al ruim vier jaar met enige regelmaat aangeeft dat zij liever bij haar vader wil wonen, aanvankelijk zonder dat zij zich daarin gehoord heeft gevoeld en waarbij zij, als gevolg van het loyaliteitsconflict, steeds angstig was voor de reactie van haar moeder daarop. Uiteindelijk heeft het gerechtshof te Den Haag afgelopen zomer geoordeeld dat [de minderjarige] vanaf 1 augustus 2026 haar hoofdverblijf bij vader zal hebben en inmiddels woont [de minderjarige] ook bij haar vader. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze situatie voor moeder teleurstellend is omdat [de minderjarige] daarvoor altijd bij haar gewoond heeft. Dat doet er evenwel niet aan af dat het belang van [de minderjarige] in deze leidend is. Dat belang wordt op dit moment het meest gediend door [de minderjarige] het vertrouwen te geven dat haar noodsignalen serieus worden genomen en dat er naar haar geluisterd wordt. Dit betekent niet dat zij altijd haar zin moet krijgen of altijd gelijk moet krijgen, maar wel dat zij weet dat zij vrijuit haar mening mag geven bij beide ouders en dat er gewoon gepraat kan worden, zonder dat ze bang hoeft te zijn dat haar verwijten gemaakt worden omdat (een van) haar ouders gekwetst (is) zijn.

Er moet worden toegewerkt naar een situatie waarin [de minderjarige] zich vrij voelt om het bij beide ouders leuk te hebben, het contact bij beide ouders door haar positief wordt ervaren en zij daar aan de andere ouder vrijuit over kan vertellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat zij dat gevoel op dit moment niet heeft. Daarbij speelt ook een niet onbelangrijke rol dat [de minderjarige] inmiddels 13 jaar oud is en zij zich dus bevindt in een fase in haar leven waarin zij sowieso te maken krijgt met veel fysieke, psychische en emotionele veranderingen op haar weg naar volwassenheid. Voor haar verdere ontwikkeling tot een stabiele, verantwoordelijk handelend volwassene is het van groot belang dat zij het gevoel krijgt dat beide ouders serieus naar haar en haar wensen luisteren en dat haar mening telt.

4.6.

Beide ouders worden door de diverse hulpverleningsinstanties die in het verleden bij het gezin betrokken zijn geweest worden aangemerkt als liefdevolle ouders voor [de minderjarige] . Echter, [de minderjarige] vertelt dat haar moeder ook een andere kant heeft die haar moeder alleen laat zien als zij met [de minderjarige] alleen is, niet als er een derde bij is. Uit de verklaringen van [de minderjarige] blijkt dat dat de moeder is waar [de minderjarige] angstig voor is en waardoor zij zich niet altijd veilig voelt bij haar moeder. Een aantal voorbeelden hiervan heeft [de minderjarige] opgeschreven in een brief die zij tijdens haar gesprek met de voorzieningenrechter aan hem heeft gegeven. Daarin verklaart zij onder meer dat moeder op school aan Veilig Thuis had laten weten dat zij open stond voor de wens van [de minderjarige] om bij haar vader te wonen, maar na thuiskomst schreeuwend aan haar vroeg hoe ze dat durfde te zeggen.

Een ander voorbeeld is dat ze via de telefoon met een vriendin sprak terwijl ze een conflict had met haar moeder, dat moeder zei dat ze haar telefoon op mute moest zetten en vervolgens dat ze moest ophangen, en daarbij dreigde haar telefoon en Ipad in het water te gooien.

4.7.

Moeder betwist dat gebeurtenissen als deze zich hebben voorgedaan, maar de voorzieningenrechter heeft [de minderjarige] gesproken en heeft niet de indruk gekregen dat zij een meisje is dat deze verhalen volledig verzint. Zelfs als [de minderjarige] deze gebeurtenissen heeft uitvergroot (wat op zichzelf zou kunnen), kan moeder niet heen om het gegeven dat [de minderjarige] het op deze manier beleefd heeft en daar last van heeft.

[de minderjarige] heeft ook verklaard dat zij op enig moment wel weer contact wil met haar moeder, maar dat haar moeder dan liever tegen haar moet doen en dat moeder eerst zelf in therapie moet gaan. Verder heeft zij gezegd dat zij hier al heel lang over heeft nagedacht en ze heeft gedreigd om weg te lopen naar haar vader als zij naar haar moeder gestuurd zou worden.

4.8.

Beide partijen hebben uitgesproken dat zij er belang aan hechten dat [de minderjarige] met beide ouders normaal kan omgaan. Uiteraard is het van belang dat er zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar een situatie waarin weer enig contact tussen moeder en [de minderjarige] kan plaatsvinden, maar dat kan op dit moment niet. Moeder zal dat moeten accepteren. Moeder zal ook moeten accepteren dat de eerste contacten met [de minderjarige] zeer waarschijnlijk niet zonder begeleiding zullen kunnen plaatsvinden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige] geacht kan worden om de zorgregeling met de moeder direct te hervatten, zoals moeder heeft gevorderd. Dit stuit op teveel weerstand bij [de minderjarige] en kan ertoe leiden dat [de minderjarige] dan nog verder in de knoop raakt. Die vordering zal worden afgewezen en de vordering van de vader om de zorgregeling tijdelijk op te schorten zal worden toegewezen.

Inschrijving bij de huisarts

4.9.

Ter zitting is naar voren gekomen dat voor het inschakelen van professionele hulp vaak een verwijzing van de huisarts nodig is. [de minderjarige] woont nog maar kort in [plaats] .

Haar vader had haar aanvankelijk (met toestemming van de moeder) aangemeld bij huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] . Daar heeft [de minderjarige] een eerste gesprek gehad met dokter [dokter] , een mannelijke huisarts. De vader heeft verklaard dat [de minderjarige] echter geen prettig gevoel bij dit gesprek had en dat zij heeft aangegeven dat zij liever een vrouwelijke huisarts wil. Vader wil haar daarom inschrijven bij huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] , waar twee vrouwelijke huisartsen praktijk uitoefenen. De moeder heeft, na een eigen gesprek met dokter [dokter] , tegen die wisseling bezwaar gemaakt en geweigerd de benodigde toestemming te geven voor die inschrijving. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat dokter [dokter] een prima huisarts is zodat er geen aanleiding bestaat om [de minderjarige] nu weer bij een andere huisarts in te schrijven en dat zij bovendien bang is dat als [de minderjarige] bij een eventuele volgende huisarts gaat praten de vader haar opnieuw bij een nieuwe huisarts zal willen laten inschrijven.

4.10.

Uit deze reactie blijkt van een groot wantrouwen van de moeder ten opzichte van de vader. In de stukken is echter onvoldoende grond te vinden om dit wantrouwen te rechtvaardigen. Vader zet zich in om voor [de minderjarige] hulp te kunnen regelen; moeder werkt dit tegen, vanuit haar wens om zelf de benodigde hulp voor [de minderjarige] te kunnen regelen.

Duidelijk is dat partijen het hier niet over eens worden.

De voorzieningenrechter acht de wens van [de minderjarige] , als meisje van 13 jaar, om een vrouwelijke huisarts te hebben volstrekt begrijpelijk. Zij is door haar emotionele toestand op dit moment extra kwetsbaar. Voorstelbaar is dat zij met een vrouwelijke huisarts gemakkelijker praat over haar gedachten en gevoelens met betrekking tot haar relatie tot haar ouders en ook over haar ontwikkeling van meisje tot vrouw. Bovendien wordt het vinden van passende hulpverlening allicht bevorderd wanneer [de minderjarige] het gevoel heeft vrijuit met haar huisarts te kunnen praten. Als er nu één onderwerp is waarbij de ouders zonder enig bezwaar de wens van [de minderjarige] zouden moeten volgen is het dit wel.

De gevorderde vervangende toestemming voor vader om [de minderjarige] te mogen inschrijven bij deze praktijk zal dan ook worden verleend. Daarbij hoort ook de toestemming om het medisch dossier van [de minderjarige] te laten overdragen aan deze huisartsenpraktijk.

Ten aanzien van de in te schakelen hulp

4.11.

Partijen zijn het er over eens zijn dat er zo snel mogelijk professionele hulp voor [de minderjarige] ingeschakeld moet worden, maar verschillen van mening over welke hulp of instantie moet worden ingeschakeld. Uit de verklaringen van de moeder ter zitting komt naar voren dat zij de hulpvraag van [de minderjarige] vooral lijkt te benaderen vanuit haar beroep als docent en mentor op een middelbare school. Zij denk daarbij in de protocollen die op de school waaraan zij verbonden is worden gehanteerd. Ze moet nu echter denken vanuit haar rol als moeder van [de minderjarige] . De school van [de minderjarige] heeft al bepaalde voorstellen gedaan over de hulp die voor [de minderjarige] georganiseerd zou kunnen worden, de vader heeft hier nader onderzoek naar gedaan, maar hij komt niet verder omdat de moeder van mening is dat deze voorstellen niet passend zijn en haar toestemming om het hulptraject te starten weigert te verlenen.

Uit een na de zitting ontvangen bericht blijkt dat de moeder met het aanmelden van [de minderjarige] voor gesprekken met de CJG-coach op school inmiddels alsnog heeft ingestemd. Dit is een eerste stap maar duidelijk is dat dit slechts een eerste noodverband is. [de minderjarige] heeft behoefte aan verdergaande deskundige hulp.

4.12.

De vader heeft in dat verband onder meer gevorderd om te bepalen dat partijen hun medewerking moeten verlenen aan het inschakelen van een kindbehartiger voor [de minderjarige] bij [Pedagogiek] Pedagogiek, te weten [kindbehartiger] . Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij al contact heeft gehad met [kindbehartiger] en dat zij zich bereid heeft verklaard om als kindbehartiger voor [de minderjarige] op te treden. Uit een nader bericht dat de voorzieningenrechter na de zitting van de moeder heeft ontvangen blijkt dat [kindbehartiger] zich, nadat de moeder via e-mail contact met haar had opgenomen, heeft teruggetrokken zodat inschakelen van [kindbehartiger] geen optie meer is.

Dit betekent dat de primaire vordering van vader zal worden afgewezen.

4.13.

De moeder heeft gevorderd om de vader te veroordelen medewerking te verlenen aan het aanmelden van [de minderjarige] voor een behandeltraject bij Arkin Gezin en Jeugd en om toestemming te verlenen om [vertrouwenspersoon en ondersteuner] in te schakelen als vertrouwenspersoon voor [de minderjarige] .

4.14.

Vader heeft bezwaar gemaakt tegen het inschakelen van [vertrouwenspersoon en ondersteuner] en aangevoerd dat [de minderjarige] zèlf bezwaar heeft tegen het opnieuw inschakelen van [vertrouwenspersoon en ondersteuner] , die eerder als bijzonder curator heeft gefungeerd. Uit de verklaringen van [de minderjarige] blijkt dat zij het gevoel heeft dat in het verleden haar vertrouwen door verschillende hulpverleners in wie zij vertrouwen had is beschaamd. Daarom lijkt het de voorzieningenrechter wenselijk iemand in te schakelen met wie zij en de ouders nog niet eerder te maken hebben gehad. Dit betekent dat de vordering van de moeder om [vertrouwenspersoon en ondersteuner] in te mogen schakelen zal worden afgewezen.

4.15.

Over het door de moeder voorgestelde behandeltraject bij Arkin Gezin en Jeugd heeft de vader aangevoerd dat Arkin vooral gericht is op specialistische geestelijke gezondheidszorg en complexe psychiatrische problematiek en dat dit hem voor [de minderjarige] nu niet het aangewezen traject lijkt. De voorzieningenrechter heeft ter zitting al met partijen gedeeld dat hij die mening deelt en dat de inzet van Arkin, die toch vooral bedoeld is voor de zwaardere gevallen, hem meer iets lijkt voor een eventueel vervolgtraject als uit de observaties van de hulpverlener die nu moet worden ingeschakeld zou blijken dat een meer psychiatrische benadering nodig is. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding de beslissing op de vordering om Arkin te mogen inschakelen aan te houden.

4.16.

De vader heeft ter zitting nog aangevoerd dat inschakeling van IHub Familiezorg te [plaats] nog een optie is. Moeder heeft hiertegen aangevoerd dat zij die hulp niet passend vindt en dat er ook bij IHub sprake zal zijn van lange wachtlijsten.

4.17.

De voorzieningenrechter heeft na de zitting telefonisch contact gezocht met IHub in [plaats] om navraag te doen wat de precieze mogelijkheden zijn en met welke wachttijd rekening gehouden moet worden. Daaruit is gebleken dat IHub is aangesloten bij een consortium, Planet Young, waaronder zes verschillende instanties vallen. Na aanmelding beoordeelt Planet Young welk van deze instanties het meest passend is voor de hulpvraag. Vervolgens volgt een verwijzing naar die instantie en dan is het afhankelijk van de wachttijd die de betreffende instantie hanteert wanneer de hulp daadwerkelijk gestart kan worden. Mocht IHub worden aangewezen als de meest passende instantie dan is sprake van een wachttijd van 16 tot 20 weken. Een dergelijk lange en onzekere wachttijd acht de voorzieningenrechter niet in het belang van [de minderjarige] , zodat dit niet de aangewezen weg lijkt om nu te bewandelen.

4.18.

De voorzieningenrechter is er door de opstelling van de moeder tijdens de zitting en haar bemoeienis in het contact met [kindbehartiger] van overtuigd geraakt dat de moeder vooral controle wil blijven uitoefenen en op dit moment onvoldoende in staat is om het belang van [de minderjarige] centraal te stellen in haar afwegingen. Dat brengt de voorzieningenrechter ertoe de vader, overeenkomstig zijn subsidiaire vordering, vervangende toestemming te verlenen om via een verwijzing door de huisarts psychologische hulp voor [de minderjarige] in te schakelen. De vervangende toestemming aan vader houdt in dat [de minderjarige] door vader kan worden aangemeld bij de hulpverlener naar wie [de minderjarige] door de huisarts zal worden verwezen. De aanmelding strekt ertoe om [de minderjarige] te doen verwijzen naar een in aanmerking komende hulpverlener

  • bij wie [de minderjarige] haar verhaal kwijt kan en

  • die in een indringend contact met [de minderjarige] analyseert wat de drijfveren achter de diverse (zorgwekkende) uitlatingen zijn die [de minderjarige] heeft gedaan en

  • die zich voorzover [de minderjarige] dat belangrijk vindt mede richt op spoedig herstel van het contact van [de minderjarige] met haar moeder.

De opdracht aan de hulpverlener moet mede inhouden

 dat binnen uiterlijk vier weken na een eerste contact met [de minderjarige] - in overleg met [de minderjarige] en binnen de grenzen van de daarin afgesproken vertrouwelijkheid - verslag wordt uitgebracht aan de ouders, in welk verslag onder meer wordt vermeld hoe de hulpverlener denkt dat het traject richting spoedig contactherstel tussen [de minderjarige] en haar moeder vorm gegeven kan worden.

Aan de moeder wordt ontraden om deze hulpverlener uit eigen initiatief te benaderen totdat deze een eerste verslag heeft opgeleverd.

Verder zal de hulpverlener gevraagd worden een tweede verslag op te leveren zodra de hulpverlener een afgerond beeld heeft over wat er aan begeleiding voor contactherstel en aan hulpverlening, in de ruimste zin van het woord, verder nodig is, en in ieder geval uiterlijk drie maanden na het eerste contact met [de minderjarige] .

Conclusie

in conventie

4.19.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de vordering van de moeder om Arkin Gezin en Jeugd in te schakelen wordt aangehouden en dat de overige vorderingen van de moeder zullen worden afgewezen.

in reconventie

4.20.

De vastgestelde zorgregeling van [de minderjarige] met moeder zal worden opgeschort met ingang van de datum van dit vonnis in afwachting van de adviezen van de in te schakelen deskundige hulpverlener.

4.21.

De vader zal vervangende toestemming verleend worden:

  • om [de minderjarige] in te schrijven bij huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] ,

  • om haar medisch dossier aan de hiervoor genoemde huisartsenpraktijk te laten overdragen,

  • om de huisarts te vragen [de minderjarige] na contact met haar te verwijzen naar een in aanmerking komende hulpverlener,

  • om [de minderjarige] aan te melden voor hulpverlening bij deze hulpverlener na verwijzing door de huisarts, als hiervoor omschreven.

4.22.

Omdat de hulp aan [de minderjarige] ook gericht is op contactherstel met de moeder en op dit moment nog niet duidelijk is hoe dat traject vorm gegeven kan dan wel moet worden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verdere behandeling van deze zaak pro forma aan te houden, om de ouders de ruimte te bieden zonodig verdere voorzieningen te vragen.

Ten overvloede

4.23.

De voorzieningenrechter wil de ouders nog het volgende meegeven.

Uit het voorgaande volgt dat de maatregelen die mede op basis van dit vonnis zo spoedig mogelijk worden ingezet, niet alleen gericht moeten zijn op hulp aan [de minderjarige] maar ook op herstel van het contact tussen moeder en [de minderjarige] . Daarbij is het de ambitie dat [de minderjarige] dit contact, anders dan voorheen, in alle opzichten als bevredigend kan ervaren.

Het succes van de nog nader in te vullen aanpak kan naar de stellige overtuiging van deze voorzieningenrechter sterk worden bevorderd als moeder bereid is zich kwetsbaar op te stellen en rekening wil houden met de mogelijkheid dat haar perceptie van de oorzaken van de vervreemding die tussen [de minderjarige] en haar is opgetreden, niet juist is.

De ouders beschuldigen elkaar in dit dossier van ouderverstoting. Dit komt voort uit ernstig wantrouwen ten opzichte van elkaar en heeft een grote en schadelijke invloed op [de minderjarige] ’s welzijn. Partijen zijn al jaren geleden gescheiden maar zij blijven de ouders van [de minderjarige] en blijven in die rol geconfronteerd worden met elkaar.

Partijen zouden er daarom goed aan doen om tenminste in overweging te nemen ook voor zichzelf hulp in te schakelen, bijvoorbeeld om het geheel van hun interacties vanaf hun breuk in 2017 vanuit een ander perspectief (of het perspectief van de ander) te leren bekijken. Zij zouden daarvoor een onafhankelijke adviseur kunnen inschakelen - een wijs mens met een groot hart - in wie zij beiden vertrouwen hebben. Ze zouden die adviseur kunnen vragen op basis van dit dossier een advies te geven over een mogelijke marsroute naar verzoening en, waar nodig, vergeving.

4.24.

Voor herstel van de zorgregeling is een eerste vereiste dat [de minderjarige] weer redelijk in haar vel komen te zitten. Wat daarvoor nodig is, valt op dit moment niet nauwkeurig te bepalen. Daarvoor is thans de huisarts aan zet.

Uiteraard moet worden bezien of een eerste contact, al is het maar iets van contact, tussen moeder en [de minderjarige] op korte termijn tot de mogelijkheden behoort. De bereidheid van moeder om zich kwetsbaar op te stellen, zou daaraan zeer kunnen bijdragen. Die bereidheid zou (bijvoorbeeld) tot uitdrukking kunnen komen in een brief aan [de minderjarige] , waarin begrip doorklinkt voor het feit dat [de minderjarige] , mogelijk mede als gevolg van de opstelling van moeder, een aanzienlijke ballast met zich meedraagt. Een uitnodiging aan [de minderjarige] om alles te mogen zeggen wat haar dwarszit, met de verzekering dat moeder niet boos zal worden en wel inhoudelijk zal reageren, zou verlichtend kunnen werken. Wedervragen kunnen openingen bieden. Het vasthouden van de controledrang (die op de zitting bij moeder sterk zichtbaar was) zal eerder belemmerend werken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in reconventie

5.1.

verleent de vader vervangende toestemming, welke toestemming in de plaats treedt van de vereiste toestemming van de moeder, om [de minderjarige] in te schrijven bij huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] ,

5.2.

verleent vader vervangende toestemming, welke toestemming in de plaats treedt van de vereiste toestemming van de moeder, om het medisch dossier van [de minderjarige] aan huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] te laten overdragen,

5.3.

verleent de vader vervangende toestemming, welke toestemming in de plaats treedt van de vereiste toestemming van de moeder, om de huisarts te vragen, [de minderjarige] na een gesprek met haar, te verwijzen naar een in aanmerking komende hulpverlener bij wie [de minderjarige] haar verhaal kwijt kan en die in een indringend contact met [de minderjarige] analyseert wat de drijfveren achter de diverse (zorgwekkende) uitlatingen zijn die [de minderjarige] heeft gedaan en die zich voorzover [de minderjarige] dat belangrijk vindt mede richt op spoedig herstel van het contact van [de minderjarige] met haar moeder,

5.4.

verleent de vader vervangende toestemming, welke toestemming in de plaats treedt van de vereiste toestemming van de moeder, om [de minderjarige] aan te melden bij de hulpverlener naar wie [de minderjarige] door de huisarts wordt verwezen en deze hulpverlener op te dragen

  • binnen uiterlijk vier weken na een eerste contact met [de minderjarige] - in overleg met [de minderjarige] en binnen de grenzen van de daarin afgesproken vertrouwelijkheid - verslag uit te brengen aan de ouders, in welk verslag onder meer wordt vermeld hoe de hulpverlener denkt dat het traject richting spoedig contactherstel tussen [de minderjarige] en haar moeder vorm gegeven kan worden en

  • een volgend verslag op te leveren, zodra de hulpverlener een afgerond beeld heeft over wat er aan begeleiding voor contactherstel en aan hulpverlening, in de ruimste zin van het woord, verder nodig is, maar uiterlijk drie maanden na het eerste contact met [de minderjarige] ,

5.5.

bepaalt dat de vastgestelde zorgregeling van [de minderjarige] met de moeder met ingang van de datum van dit vonnis wordt opgeschort, in afwachting van de bevindingen van de nog in te schakelen deskundige hulpverlener voor [de minderjarige] zoals hiervoor vermeld in r.o. 5.4,

in reconventie voorts en in conventie

5.6.

houdt iedere verdere behandeling van deze zaak pro forma aan tot 4 januari 2027 in afwachting van bericht van partijen over de stand van zaken.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op

27 oktober 2026.