Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De…

Rechtbank Noord-Holland, 1 april 2026

Zaakgegevens

Op 1 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
1 april 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
11970992 \ CV FORM 25-7741
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:3514
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, te weten latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11970992 \ CV FORM 25-7741

Uitspraakdatum: 1 april 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]
beiden wonende te [plaats]

verzoekende partijen

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Sociéte Air France

gevestigd te Parijs, Frankrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

De zaak in het kort
De passagiers vragen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, te weten latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en het verzoek wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 2 juli 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Parijs, Frankrijk, naar Ottawa, Canada, met vluchtcombinatie KL2007 dan wel AF1341 en KL2004.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht KL2007 dan wel AF1341 van Amsterdam naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.

4.3.

De vervoerder stelt dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1340 en AF1341). Vlucht AF1340 van Parijs naar Amsterdam mocht niet tijdig vertrekken van de luchtverkeersleiding vanwege slechte weersomstandigheden. Daarom is vlucht AF1340 met een vertraging van 35 minuten uitgevoerd. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Ook de vlucht in kwestie kreeg pas later dan gepland toestemming om op te stijgen, waardoor deze met 1 uur en 2 minuten vertraging is vertrokken en met 48 minuten vertraging is aangekomen. Ter onderbouwing heeft hij berichten van de luchtverkeersleiding overgelegd.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) opgelegde beperkingen door de luchtverkeersleiding op zowel de voorgaande vlucht als op de vlucht in kwestie. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarmee was de vertraging van de vlucht het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Vast staat dat de passagiers hierdoor de aansluitende vlucht hebben gemist. De langdurig vertraagde aankomst van de passagiers op de eindbestemming was dus het gevolg van buitengewone omstandigheden.

4.5.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt in dit verband dat hij de (oorzaak van de) vertraging niet kon voorkomen maar dat hij de vlucht onder deze omstandigheden zo snel mogelijk heeft uitgevoerd. Daarnaast heeft hij de passagiers omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als een passagier een dag later dan gepland aankomt met een alternatieve vlucht die door de vervoerder zelf werd uitgevoerd. In dat geval is het aan de vervoerder om te onderbouwen dat er geen andere mogelijkheid bestond voor een eerdere alternatieve vlucht die door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij werd uitgevoerd.

4.7.

Vast staat dat de passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van (meer dan) een dag op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat deze omboeking in beginsel geen redelijke maatregel is. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder echter voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er geen mogelijkheid was voor een eerdere vlucht. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van hem kon worden verwacht. Voor zover de passagiers bedoelden aan te voeren dat er een eerdere vlucht voor hen beschikbaar was, had het op hun weg gelegen om dit concreter te maken, bijvoorbeeld door concreet te stellen welke vlucht dat was. Omdat zij dit hebben nagelaten, hebben zij onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij zijn omgeboekt op het eerst beschikbare alternatief. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.8.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 217,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking;

5.3.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771. HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.