Verbintenissenrecht
Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een…
Rechtbank Noord-Holland, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7005 · Rechtbank Noord-Holland · 10 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/beschikking/ecli-nl-rbnho-2026-7005
Zaakgegevens
Op 10 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 12102089 \ CV FORM 26-975
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7005
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij voert aan dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat voorgaande vluchten een zodanige vertraging hadden opgelopen dat het niet meer mogelijk was om de vlucht uit te voeren voor het ingaan van het nachtregime op Schiphol. Het verweer slaagt gedeeltelijk. Na de annulering heeft hij passagiers sub 1 en sub 2 immers geen alternatieve vlucht aangeboden en passagiers sub 3 en sub 4 omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen. Daarmee heeft hij voor hen niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging door de annulering door de vertraging te beperken. Voor de overige passagiers heeft hij wel alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12102089 \ CV FORM 26-975
Uitspraakdatum: 10 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1 [verzoeker 1]
2. [verzoeker 2]
beiden wonende te [plaats 1]
3. [verzoeker 3]
4. [verzoeker 4]
beiden wonende te [plaats 2]
5. [verzoeker 5]
6. [verzoeker 6]
beiden wonende te [plaats 3]
7. [verzoeker 7]
8. [verzoeker 8]
beiden wonende te [plaats 4]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kort
De passagiers vragen compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij voert aan dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat voorgaande vluchten een zodanige vertraging hadden opgelopen dat het niet meer mogelijk was om de vlucht uit te voeren voor het ingaan van het nachtregime op Schiphol. Het verweer slaagt gedeeltelijk. Na de annulering heeft hij passagiers sub 1 en sub 2 immers geen alternatieve vlucht aangeboden en passagiers sub 3 en sub 4 omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen. Daarmee heeft hij voor hen niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging door de annulering door de vertraging te beperken. Voor de overige passagiers heeft hij wel alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen.
1 Het procesverloop
2 De feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 22 mei 2024 vervoeren van Venetië, Italië, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht U24071, dan wel EJU4071 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en de luchtvaartmaatschappij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
De vervoerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat voorgaande vluchten die met hetzelfde toestel zouden worden uitgevoerd, dermate langdurig werden vertraagd dat het niet mogelijk was om de vlucht in kwestie uit te voeren voor het ingaan van het nachtregime van Schiphol. De vertraging van deze voorgaande vluchten was met name het gevolg van (de doorwerking van) latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Ter onderbouwing heeft hij onder meer vluchtrapporten overgelegd.
Dit betoog slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de voorgaande vlucht (met name) het gevolg was van de doorwerking van latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten immers altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft hier ook geen invloed op. Daarmee was de vertraging van de voorgaande vlucht met name het gevolg van de doorwerking van buitengewone omstandigheden.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder eveneens voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat deze vertraging dreigde door te werken op de vlucht in kwestie en dat deze daardoor niet uitgevoerd kon worden voor het ingaan van het nachtregime. De passagiers hebben dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar voeren zij aan dat de vluchttijd van de vlucht in kwestie anderhalf uur zou bedragen en dat het daarmee alsnog mogelijk was om voor het ingaan van het nachtregime te landen, maar de vervoerder heeft met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat dit 2 uur en 10 minuten zou zijn. Het had op de weg van de passagiers gelegen om hun betoog op dit punt nader te motiveren, bijvoorbeeld door stukken over te leggen waaruit de kortere vluchttijd blijkt. Ook uit de door henzelf overgelegde boekingsbevestigingen blijkt immers een geplande duur van 2 uur en 10 minuten. Daarmee was de annulering het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt dat het niet mogelijk was om een ander toestel en een andere bemanning in te zetten omdat het invliegen daarvan vijf tot zes uur zou duren. Het was dan ook niet mogelijk om de annulering te voorkomen. Wel heeft hij passagiers sub 3, sub 4, sub 5, sub 6, sub 7 en sub 8 omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming. Daarmee zijn zij binnen een dag op de eindbestemming aangekomen.
De passagiers hebben dit in het vorderingsformulier bij voorbaat betwist. Zij voeren aan dat de vervoerder passagiers sub 1 en sub 2 niet de keuze heeft geboden tussen omboeking en terugbetaling van de kosten van de vliegtickets. Hij heeft hen een link naar een online boekingssysteem gestuurd, maar daarin waren geen alternatieve vluchten voor hen beschikbaar. Uiteindelijk hebben passagiers sub 1 en sub 2 op eigen initiatief een alternatieve vlucht naar de eindbestemming geboekt. Passagiers sub 3 en sub 4 zijn wel omgeboekt naar een alternatieve vlucht, maar zijn daarmee met een vertraging van 38 uur en 17 minuten aangekomen. Passagiers sub 5, sub 6, sub 7 en sub 8 zijn eveneens omgeboekt en met een vertraging van 12 uur en 21 minuten aangekomen.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het Hof heeft geoordeeld dat bij annulering van een luchtvaartmaatschappij mag worden verwacht dat zij alle middelen aanwendt om bij eerste gelegenheid en onder bevredigende voorwaarden redelijk alternatief vervoer voor de passagiers beschikbaar te stellen. Het is in beginsel geen redelijke maatregel als een passagier een dag later dan gepland aankomt met een alternatieve vlucht die door de vervoerder zelf werd uitgevoerd. In dat geval is het aan de vervoerder om te onderbouwen dat er geen andere mogelijkheid bestond voor een eerdere alternatieve vlucht.
Voor passagiers sub 1 en sub 2 heeft de vervoerder in het geheel niet gesteld dat hij hen na de annulering een alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden. Daarmee heeft hij niet alle middelen aangewend om voor hen redelijk alternatief vervoer beschikbaar te stellen en heeft hij voor hen niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging door de annulering te beperken. Dit betekent dat de namens passagiers sub 1 en sub 2 verzochte compensatie zal worden toegewezen.
Voor passagiers sub 3 en sub 4 geldt dat de vervoerder, vanwege de gemotiveerde betwisting door de passagiers, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat zij met een vertraging van minder dan een dag op de bestemming zijn aangekomen. Hij verwijst hierbij naar een door hem overgelegde e-mail, maar daaruit volgt juist dat zij zijn omgeboekt naar een vlucht die, zoals de passagiers terecht aanvoeren, ruim anderhalve dag later aankwam dan de vlucht in kwestie. Dit betekent dat deze omboeking in beginsel geen redelijke maatregel is. Gelet hierop is de stelling dat dit voor hen de eerst beschikbare vlucht zou zijn geweest, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, eveneens onvoldoende. Het had op zijn weg gelegen om concreet te stellen welke andere vluchten er gingen en dat daarop geen plaats beschikbaar was. Omdat hij dit heeft nagelaten, slaagt dit betoog niet. Daarmee heeft hij voor passagiers sub 3 en sub 4 evenmin alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging door de annulering te beperken. De namens hen verzochte compensatie zal eveneens worden toegewezen.
Vast staat dat de overige passagiers zijn omgeboekt op een alternatieve vlucht waarmee zij binnen een dag op de eindbestemming zijn aangekomen. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij voor hen alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te beperken. Hij heeft hen immers de keuze geboden tussen terugbetaling en omboeking en hij heeft eveneens voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij hen vervolgens heeft omgeboekt op de snelst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming. Dit betekent dat het verzoek tot compensatie van de passagiers sub 5, sub 6, sub 7 en sub 8 zal worden afgewezen.
De wettelijke rente over het toe te wijzen gedeelte van de hoofdsom is als anderszins onweersproken toewijsbaar.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Het verzoek heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of deze kosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Gelet op de toewijsbare hoofdsom is het verzochte bedrag hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de verzochte buitengerechtelijke kosten daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 181,50 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
Omdat beide partijen op een aantal punten in het (on)gelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.181,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.000,00 vanaf 22 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open