Verbintenissenrecht
Luchtvaart. EPGV. Achmea vraagt namens twee passagiers compensatie van de vervoerder vanwege een geannuleerde…
Rechtbank Noord-Holland, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7007 · Rechtbank Noord-Holland · 10 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/beschikking/ecli-nl-rbnho-2026-7007
Zaakgegevens
Op 10 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 12073837 \ CV FORM 26-587
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7007
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart. EPGV. Achmea vraagt namens twee passagiers compensatie van de vervoerder vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij heeft echter onvoldoende gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te voorkomen en te beperken. Hij heeft de passagiers namelijk omgeboekt naar een vlucht die meer dan een dag later aankwam en niet gesteld dat dit de eerste mogelijkheid was. Daarom slaagt het verweer van de vervoerder niet. Het verzoek wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12073837 \ CV FORM 26-587
Uitspraakdatum: 10 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
Stichting Achmea Rechtsbijstand
gevestigd te Apeldoorn
verzoekende partij
verder te noemen: Achmea
gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kort
Achmea vraagt namens twee passagiers compensatie van de vervoerder vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij heeft echter onvoldoende gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te voorkomen en te beperken. Hij heeft de passagiers namelijk omgeboekt naar een vlucht die meer dan een dag later aankwam en niet gesteld dat dit de eerste mogelijkheid was. Daarom slaagt het verweer van de vervoerder niet. Het verzoek wordt toegewezen.
1 Het procesverloop
2 De feiten
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de passagiers) hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 13 augustus 2024 vervoeren van Edinburgh, Verenigd Koninkrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht U27838 dan wel EJU7838 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagiers hebben hun eventuele vorderingsrechten overgedragen aan Achmea.
3 Het geschil
Achmea verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
Achmea baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Achmea stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht de compensatie moet voldoen van € 250,- per passagier.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
De kantonrechter gaat voorbij aan het betoog van de vervoerder dat Achmea niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat Aviclaim niet gemachtigd zou zijn om haar in deze procedure te vertegenwoordigen. De vervoerder heeft immers niet betwist dat uit de overgelegde schriftelijke volmacht blijkt dat Achmea Aviclaim heeft gemachtigd om in de periode van 1 mei 2025 tot 30 september 2026 namens haar in rechte op te treden en dat deze volmacht van toepassing is op ‘alle claims die Aviclaim voor of namens [Achmea] zal behandelen’. Het vorderingsformulier is binnen die periode, op 26 januari 2026, ingediend. Dat de vorderingsrechten van de passagiers voor die tijd zijn ontstaan maakt dit niet anders.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, ongeacht of er sprake was van eventuele buitengewone omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te voorkomen of te beperken. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als een passagier (meer dan) een dag later dan gepland aankomt met een alternatieve vlucht die door de vervoerder zelf werd uitgevoerd. In dat geval is het aan de vervoerder om te onderbouwen dat er geen andere mogelijkheid bestond voor een eerdere alternatieve vlucht die door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij werd uitgevoerd.
Vast staat dat de passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van ruim 38 uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Daarmee is deze omboeking in beginsel geen redelijke maatregel. De vervoerder heeft niet gesteld dat er dit de eerste mogelijkheid was voor een alternatieve vlucht. Hiermee heeft hij dan ook niet alle redelijke maatregelen voor hen getroffen om de vertraging te beperken.
Dit betekent dat de vervoerder, ook als de annulering het gevolg zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden, moet compenseren. De door Achmea verzochte hoofdsom zal worden toegewezen. De over de hoofdsom verzochte wettelijke rente is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
Achmea heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Achmea heeft hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De door Achmea overgelegde aanmaningen maken dat in dit geval niet anders omdat deze gestuurd zijn namens de passagiers en niet namens Achmea. Daarom volgt hieruit zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat Achmea buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze grotendeels in het ongelijk wordt gesteld. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door Achmea worden gemaakt.
Op verzoek van Achmea zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan Achmea van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van Achmea tot en met vandaag worden begroot op € 350,00 aan griffierecht en € 87,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 43,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door Achmea worden gemaakt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open