Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder doet een beroep…

Rechtbank Noord-Holland, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
12102448 \ CV FORM 26-983
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8472
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder doet een beroep op (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding tijdens de voorgaande vlucht. Het verweer slaagt. Het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 12102448 \ CV FORM 26-983

Uitspraakdatum: 8 juli 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]
beiden wonende te [plaats]

verzoekende partijen

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Société Air France

gevestigd te Parijs, Frankrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)


De zaak in het kort
De passagiers vragen compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder doet een beroep op (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding tijdens de voorgaande vlucht. Het verweer slaagt. Het verzoek wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het antwoordformulier (formulier C).

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 4 mei 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Parijs, Frankrijk, naar Hanoi, Vietnam, met vluchtcombinatie AF1445 en AF198.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht AF1445 van Amsterdam naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een vertragingsoorzaak buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en de luchtvaartmaatschappij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.

4.3.

De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel was van de rotatievlucht Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1444 en AF1445). Vlucht AF1444 van Parijs naar Amsterdam mocht niet tijdig vertrekken van de luchtverkeersleiding. Daarom is deze met 53 minuten vertraging vertrokken en 42 minuten later aangekomen dan gepland. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Hierdoor hebben de passagiers de aansluitende vlucht gemist. Ter onderbouwing heeft de vervoerder onder meer berichten van de luchtverkeersleiding in het geding gebracht.

4.4.

Het betoog slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van de doorwerking van latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Als de luchtverkeersleiding een latere vertrektijd aan een toestel oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft hier ook geen invloed op. Daarmee was de vertraging van de vlucht het gevolg van (de doorwerking van) een buitengewone omstandigheid.

4.5.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken. De vervoerder stelt dat hij de vertraging niet kon voorkomen omdat hij geen invloed heeft op het handelen van de luchtverkeersleiding. Wel heeft hij de vlucht zo snel mogelijk uitgevoerd. Na het missen van de overstap heeft hij de passagiers omgeboekt op de snelst mogelijke alternatieve vlucht naar de eindbestemming.

4.6.

Het verweer slaagt. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van hem mocht worden verwacht. De passagiers hebben in dit verband ook niets aangevoerd. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

4.7.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 217,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen met de kosten van betekening als de passagiers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.