Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagier verzoekt om compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan…

Rechtbank Noord-Holland, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
12073814 \ CV FORM 26-586
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8984
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagier verzoekt om compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt. Het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 12073814 \ CV FORM 26-586

Uitspraakdatum: 15 juli 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]
wonende te [plaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Air France

gevestigd te Roissy, Frankrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)


De zaak in het kort
De passagier verzoekt om compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt. Het verzoek wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het antwoordformulier (formulier C).

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 6 oktober 2025 vervoeren van Tunis, Tunesië, via Parijs, Frankrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtcombinatie AF1285 en AF1140.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht AF1285 van Tunesië naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de aansluitende vlucht gemist. Hij is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee hij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen.

2.3.

De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 72,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,-.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

De passagier heeft aangevoerd dat de vervoerder al bij voorbaat een onhaalbare overstaptijd heeft ingepland. De vervoerder heeft namelijk 60 minuten overstaptijd ingepland, terwijl minimaal 90 minuten is vereist. De kantonrechter gaat aan dit betoog voorbij. De passagier heeft in de bijlage bij het vorderingsformulier namelijk ook erkend dat het missen van de overstap het gevolg was van de vertraging van de vlucht in kwestie, hetgeen in tegenspraak lijkt met zijn betoog over de overstaptijd. Het had op de weg van de passagier gelegen om zijn betoog op dit punt nader te onderbouwen en te verduidelijken.

4.3.

De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder aantoont dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een vertragingsoorzaak buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en de luchtvaartmaatschappij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.

4.4.

De vervoerder voert aan dat de vlucht niet tijdig is vertrokken omdat de luchtverkeersleiding voorafgaand aan de vlucht een latere vertrektijd aan het toestel oplegde. Het luchtverkeer werd namelijk beperkt op de route. Om de vertraging te beperken heeft de vervoerder vervolgens gekozen om een andere route te vliegen. Hierdoor kon de vlucht met 8 minuten vertraging vertrekken en is deze met 23 minuten vertraging aangekomen. Het afwachten van toestemming om te vliegen via de oorspronkelijke route zou langer hebben geduurd. Hierdoor heeft de passagier de aansluitende vlucht gemist.

4.5.

Het betoog slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van een beperking door de luchtverkeersleiding. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft hier ook geen invloed op. Daarmee was de vertraging van de vlucht het gevolg van een buitengewone omstandigheid.

4.6.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt in dit kader dat hij de vertraging niet kon voorkomen omdat hij geen invloed heeft op de besluiten van de luchtverkeersleiding. Wel heeft hij de vertraging zo veel mogelijk beperkt door de vlucht zo snel mogelijk uit te voeren. Na het missen van de overstap heeft hij de passagier omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming.

4.7.

De passagier heeft dit (bij voorbaat) betwist. Hij voert aan dat het missen van de overstap voorkomen had kunnen worden als de vervoerder een redelijke buffertijd van 20 minuten bovenop de minimale overstaptijd had ingepland.

4.8.

Tussen partijen is in geschil wat de vertragingsduur van de vlucht in kwestie was. De vervoerder stelt dat de vlucht gepland stond om 13:25 uur UTC-tijd aan te komen. Uiteindelijk is deze om 13:48 uur UTC aangekomen. Er was dus sprake van 23 minuten vertraging. De passagier heeft dit eveneens bij voorbaat betwist. Hij voert aan dat de vertraging 17 minuten bedroeg.

4.9.

De kantonrechter overweegt dat de passagier op geen enkele manier heeft toegelicht of onderbouwd dat sprake was van een (kortere) vertragingsduur van 17 minuten of hoe hij deze vertragingsduur heeft berekend. Daarmee heeft hij de stellingen van de vervoerder op dit punt onvoldoende gemotiveerd betwist en moet het ervoor gehouden worden dat de vlucht met 23 minuten vertraging is aangekomen op de luchthaven van Parijs.

4.10.

De vervoerder moet in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening houden met het risico op vertraging. De kantonrechter acht in dit kader een reservetijd van ten minste 20 minuten bovenop de minimumoverstaptijd noodzakelijk. In dit geval heeft de buitengewone omstandigheid tot een vertraging van 23 minuten geleid. De conclusie is dus dat ook indien de vervoerder voldoende reservetijd in acht had genomen, de passagier de aansluitende vlucht niet meer had kunnen halen.

4.11.

Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder mocht worden verwacht. De passagier heeft in dit verband ook niets aangevoerd. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.12.

De proceskosten komen voor rekening van de passagier omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagier, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 87,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 43,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen met de kosten van betekening als de passagier niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.