Verbintenissenrecht

Luchtvaart; EPGV; niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de…

Rechtbank Noord-Holland, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
12105912
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8997
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart; EPGV; niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen of te beperken; verzoek toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 12105912 \ CV FORM 26-991

Uitspraakdatum: 8 juli 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

beiden wonende te Balk

3. [verzoeker 3]

4. [verzoeker 4]

beiden wonende te [plaats]
verzoekende partij

verder gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)

tegen


de vennootschap naar buitenlands recht

EasyJet Europe Airline GmbH

gevestigd te Wenen (Oostenrijk)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 1 april 2024 moest vervoeren van Malpensa Airport (Italië) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EJU3857 (hierna: de vlucht).

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

2.5.

Passagiers onder sub 3 en sub 4 hebben het vermeende vorderingsrecht van hun twee minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan zichzelf gecedeerd.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 225,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dat, wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen of te beperken.
Passagiers onder sub 1 en sub 2

4.4.

Vast is komen te staan dat de passagiers door de vervoerder over de annulering zijn geïnformeerd, maar dat zij zelf alternatief vervoer naar hun eindbestemming moesten boeken.
Passagiers onder sub 3 en sub 4

4.5.

Vast staat dat de passagiers zijn omgeboekt op een alternatief, waarmee zij met een vertraging van meer dan 24 uur zijn aangekomen op hun eindbestemming. Dit kwalificeert in beginsel niet als redelijke maatregel. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om te stellen en te onderbouwen dat er geen sneller alternatief met plaats beschikbaar was. Dit heeft hij echter nagelaten.

4.6.

Gelet op het voorgaande kan de vervoerder niet worden ontslagen van zijn verplichting om de (gedupeerde) passagiers te compenseren. De verzochte compensatie zal daarom worden toegewezen. De verzochte rente is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.

4.7.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Het verzoek heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of deze kosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag is niet hoger dan het volgens het Besluit berekende tarief. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen.

4.8.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.9.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.
5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.725,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.500,00 vanaf 1 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 265,00 aan griffierecht en € 217,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.


Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.