Verbintenissenrecht
Tussenvonnis in verstekzaak waarin eiseres in gelegenheid wordt gesteld bewijs te overleggen dat het…
Rechtbank Noord-Holland, 20 maart 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:4236 · Rechtbank Noord-Holland · 20 maart 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/tussenuitspraak/ecli-nl-rbnho-2024-4236
Zaakgegevens
Op 20 maart 2024 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 20 maart 2024
- Datum publicatie
- 26 april 2024
- Zaaknummer
- 349223 HA ZA 24-91
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- TussenuitspraakTussenuitspraakDe rechter beslist nog niet alles, maar neemt een tussenstap, bijvoorbeeld een bewijsopdracht of het inschakelen van een deskundige.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J. Jong te Zaandam
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2024:4236
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussenvonnis in verstekzaak waarin eiseres in gelegenheid wordt gesteld bewijs te overleggen dat het testament van erflater het laatste en geldende testament is.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/349223 / HA ZA 24-91
Tussenvonnis van 20 maart 2024
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [plaats 1],
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. J. Jong te Zaandam,
tegen
de gezamenlijke erven van de heer [erflater], geboren op [geboortedatum] te [plaats 1] en overleden op 29 maart 2023 te [plaats 2], laatstelijk gewoond hebbende te [plaats 1], gemeente [plaats 2], van wie één van de erfgenamen is [betrokkene],
wonende te [plaats 1],
gedaagden,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief 7 producties,
- het tegen gedaagden verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
[eiseres] en [erflater] (hierna: erflater) hebben gedurende meer dan twintig jaar een affectieve relatie gehad en met elkaar een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Op 5 februari 2001 werd uit de relatie tussen [eiseres] en erflater hun zoon [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) geboren.
[eiseres] stelt dat erflater voor het laatst bij testament van 7 april 2000 over zijn nalatenschap heeft beschikt. In dat testament zijn twee erfstellingen opgenomen die, volgens [eiseres], alleen voorzien in de situatie dat uit de relatie van [eiseres] en erflater geen kinderen zijn geboren. Volgens [eiseres] was het ook de bedoeling van erflater om een erfstelling op te nemen voor de situatie dat uit hun relatie wel één of meer kinderen zijn geboren, maar is de notaris dat vergeten op te nemen. [eiseres] vordert daarom primair voor recht te verklaren dat het testament van erflater zo wordt uitgelegd zoals geredigeerd door notaris D.B. Dijkhuis te Koog aan de Zaan en gelezen moet worden als volgt:
“ TWEEDE ERFSTELLING Voor het geval ik voor mijn genoemde vriendin mocht komen te overlijden en er afstammelingen uit mijn relatie met haar geboren mochten zijn, beschik ik als volgt: 1. Ik benoem mijn genoemde vriendin voor vijftig procent (50%) van mijn nalatenschap; 2. Ik benoem ieder van mijn kinderen tezamen en voor gelijke delen voor vijftig procent (50%) van mijn nalatenschap.”
Hoewel [eiseres] stelt dat erflater voor het laatst bij testament van 7 april 2000 over zijn nalatenschap heeft beschikt, heeft [eiseres] daarvan geen bewijs overgelegd. Dat maakt dat de rechtbank bij deze stand van zaken de gevorderde verklaring voor recht niet kan afgeven.
Gelet op het voorgaande zal [eiseres] daarom in de gelegenheid worden gesteld om een verklaring van de notaris in het geding te brengen waaruit blijkt dat dit testament het laatste (en geldende) testament van erflater is.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 april 2024 voor het nemen van een akte door [eiseres] over wat is vermeld onder 2.4,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.