Verbintenissenrecht
incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring / afgewezen
Rechtbank Noord-Holland, 9 januari 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:720 · Rechtbank Noord-Holland · 9 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/tussenuitspraak/ecli-nl-rbnho-2025-720
Zaakgegevens
Op 9 januari 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zaanstad
- Datum uitspraak
- 9 januari 2025
- Datum publicatie
- 27 januari 2025
- Zaaknummer
- 11291606 \ CV EXPL 24-2419
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- TussenuitspraakTussenuitspraakDe rechter beslist nog niet alles, maar neemt een tussenstap, bijvoorbeeld een bewijsopdracht of het inschakelen van een deskundige.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2025:720
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring / afgewezen
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11291606 \ CV EXPL 24-2419
Uitspraakdatum: 9 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter in het incident en tussenvonnis in de hoofdzaak:
de stichting Woningstichting Eigen Haard
gevestigd te Amsterdam
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident
verder te noemen: Woningstichting Eigen Haard
gemachtigde: mr. M. van den Oord
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting
1 Het procesverloop
Woningstichting Eigen Haard heeft bij dagvaarding van 28 augustus 2024 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen. Woningstichting Eigen Haard heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 De vordering in de hoofdzaak
Woningstichting Eigen Haard vordert een verklaring voor recht dat de huurovereen-komst met [gedaagde] buitengerechtelijk is ontbonden dan wel dat deze alsnog wordt ontbonden. Verder vordert Woningstichting Eigen Haard dat [gedaagde] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van € 703,47 per maand voor iedere maand dat [gedaagde] na 1 september 2024 in de woning verblijft. Tot slot vordert Woningstich-ting Eigen Haard dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Aan de vordering heeft Woningstichting Eigen Haard – samengevat – ten grondslag gelegd dat de huurovereenkomst tussen partijen vanwege sluiting van de woning door de burgemeester van de gemeente Zaanstad buitengerechtelijk is ontbonden en dat [gedaagde] op diverse punten is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Deze tekort-komingen rechtvaardigen volgens Woningstichting Eigen Haard ontbinding van de huurover-eenkomst en een veroordeling tot ontruiming van de woning.
3 De vordering en het verweer in het incident
[gedaagde] vordert dat haar zal worden toegestaan [zoon van gedaagde] (hierna: [zoon van gedaagde] ), geboren op [geboortedatum] 2005, voorheen wonende te ( [postcode] ) te Assendelft, gemeente Zaanstad, aan het adres [adres] , thans zonder bekende woon- en/of verblijfplaats, in vrijwaring op te roepen. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [zoon van gedaagde] haar zoon is die onlangs de woning heeft verlaten, en dat de vordering van Woningstichting Eigen Haard in feite het gevolg is van het handelen van haar zoon, waardoor hij ook aansprakelijk is voor alle kosten en schade die daaruit voortvloeien. [gedaagde] wenst door haar zoon volledig te worden gevrijwaard, omdat hem alle schuld treft.
Woningstichting Eigen Haard verzet zich tegen toestemming aan [gedaagde] om [zoon van gedaagde] in vrijwaring op te roepen. Woningstichting Eigen Haard voert aan – samengevat – dat [gedaagde] niet duidelijk maakt welke rechtsverhouding met [zoon van gedaagde] zou kunnen meebrengen dat hij ten opzichte van haar de nadelige gevolgen dient te dragen van een veroordeling in de hoofdzaak. Ook voert Woningstichting Eigen Haard aan dat de vrijwaring leidt tot een onre-delijke en onnodige vertraging van de procedure.
4 De beoordeling
in het incident
De kantonrechter stelt voorop dat voor het toewijzen van een vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat voldoende wordt gesteld en onderbouwd op grond waarvan de in vrijwaring op te roepen partij verplicht kan zijn de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak (deels) te dragen.
[gedaagde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd en onder-bouwd waarom [zoon van gedaagde] verplicht zou kunnen zijn de nadelige gevolgen van een veroor-deling in de hoofdzaak (deels) te dragen. In deze zaak wordt ontruiming van de woning na een buitengerechtelijke ontbinding gevorderd. De kantonrechter zal daarom moeten beoorde-len of Woningstichting Eigen Haard gerechtigd was de huurovereenkomst te ontbinden, dan wel of de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en Woningstichting Eigen Haard wegens tekort-schieten van [gedaagde] alsnog ontbonden moet worden. Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de huurovereenkomst terecht is ontbonden dan wel dat deze alsnog wordt ontbon-den en [gedaagde] als gevolg daarvan de woning moet ontruimen, dan is dat een veroordeling waaraan [gedaagde] zelf moet voldoen. Zij is immers de huurder en gebruiker van de woning. Er is geen sprake van een situatie waarin [zoon van gedaagde] op grond van een rechtsverhouding met [gedaagde] verplicht kan zijn de nadelige gevolgen daarvan te dragen. Er is ook geen vordering tot vergoeding van schade of kosten die [gedaagde] via vrijwaring zou kunnen verhalen op [zoon van gedaagde] , althans is onvoldoende gesteld en gemotiveerd dat daarvan sprake is. Dit betekent dat het [gedaagde] niet wordt toegestaan om [zoon van gedaagde] in vrijwaring op te roepen en dat de vor-dering tot vrijwaring dus wordt afgewezen.
in de hoofdzaak
Woningstichting Eigen Haard heeft aangevoerd dat [gedaagde] al twee keer uitstel heeft gevraagd voor het indienen van een conclusie van antwoord. Vervolgens heeft [gedaagde] , binnen de tweede uitsteltermijn, op 7 november 2024 een incidentele conclusie ingediend en niet voor antwoord geconcludeerd. Volgens Woningstichting Eigen Haard dient daarom in de hoofdzaak een eindvonnis te worden gewezen en dient [gedaagde] niet meer de gelegenheid te krijgen voor het indienen van een conclusie van antwoord.
De kantonrechter volgt dit standpunt van Woningstichting Eigen Haard niet. Dit wordt als volgt toegelicht.
Uit de wet volgt dat gedaagde een oproeping tot vrijwaring moet doen vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde datum. Dit betekent dat de vordering tot vrijwaring moet worden ingesteld voordat een conclusie van antwoord wordt genomen. [gedaagde] mocht er dus voor kiezen om in plaats van het indienen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak eerst een conclusie tot oproeping in vrijwaring in te dienen. Daarmee heeft zij niet het recht verspeeld om alsnog te antwoorden. Dit zou anders kunnen zijn als de vordering tot vrijwaring alleen is ingediend om de procedure te vertragen, maar de kantonrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten om daarvan uit te gaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om te antwoorden. Om verdere vertraging te voorkomen zal [gedaagde] slechts één laatste termijn van vier weken worden gegeven om een conclusie van antwoord in te dienen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol van 6 februari 2025. Verder uitstel zal niet worden verleend.
De proceskosten
De proceskosten in het incident komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van Woningstichting Eigen Haard worden begroot op € 135,00 aan salaris voor de gemachtigde van Woningstichting Eigen Haard.
5 De beslissing
De kantonrechter:
in het incident:
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten in het incident, die tot en met vandaag worden vastgesteld op een bedrag van € 135,00 aan salaris van de gemachtigde van Woningstichting Eigen Haard;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 februari 2025 te 10.00 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] , waarbij verder uitstel niet worden toegestaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter