Verbintenissenrecht

Ambtshalve toetsing Huurvoorwaarden februari 2021. Eindvonnis na akte. Bik-beding oneerlijk.

Rechtbank Noord-Holland, 17 april 2024

Zaakgegevens

Op 17 april 2024 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
17 april 2024
Datum publicatie
19 april 2024
Zaaknummer
10769928 \ CV EXPL 23-7111
Procedure
Verstek
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2024:3914
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ambtshalve toetsing Huurvoorwaarden februari 2021. Eindvonnis na akte. Bik-beding oneerlijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10838375 CV EXPL 23-8125

Uitspraakdatum: 17 april 2024

Verstekvonnis in de zaak van:

de stichting [eiser]

te [plaats 1]

de eisende partij

gemachtigde: Lawpoint Gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]

te [plaats 2]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De verdere procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 14 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van een bepaald beding uit de toepasselijke algemene voorwaarden van de eisende partij. Dit heeft de eisende partij gedaan bij akte van 13 maart 2024 (hierna: de akte).

2 De verdere beoordeling

Buitengerechtelijke incassokosten

2.1.

In de akte heeft de eisende partij gesteld dat artikel 7.12 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk is. Hierbij heeft de eisende partij toegelicht dat in artikel 7.12 expliciet het woord ‘betalingsverplichting’ wordt genoemd. Volgens de eisende partij wordt hiermee bedoeld de verplichting van de huurder om binnen de wettelijke betalingstermijn van veertien dagen over te gaan tot algehele betaling van de vordering, zoals dit uitdrukkelijk vermeld is in de aanmaning van 12 september 2023 en in de veertiendagenbrief van 6 november 2023.

2.2.

De kantonrechter volgt deze stellingen niet. De formulering van artikel 7.12 van de algemene voorwaarden suggereert dat na aanmaning direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding onduidelijk en voldoet het niet aan de wettelijke vereisten. Uit het woord ‘betalingsverplichting’ kan niet worden afgeleid dat dit de verplichting van de huurder inhoudt om binnen de wettelijke betalingstermijn van veertien dagen zoals bedoeld in de veertiendagenbrief over te gaan tot algehele betaling. Dat de eisende partij wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd en in zoverre feitelijk heeft voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW, doet daaraan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.

2.3.

Gelet op het voorgaande worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

2.4.

Voor het overige blijft de kantonrechter bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Huurvoorwaarden februari 2021