Verbintenissenrecht
Ambtshalve toetsing. Verstek. Eindvonnis na akte. Sanctie vanwege schending precontractuele…
Rechtbank Noord-Holland, 18 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:2987 · Rechtbank Noord-Holland · 18 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/verstek/ecli-nl-rbnho-2026-2987
Zaakgegevens
Op 18 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 18 maart 2026
- Datum publicatie
- 20 maart 2026
- Zaaknummer
- 11885533 \ CV EXPL 25-6204
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- VerstekVerstekDe gedaagde of verdachte is niet verschenen; de rechter beslist zonder zijn verweer.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2987
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ambtshalve toetsing. Verstek. Eindvonnis na akte. Sanctie vanwege schending precontractuele informatieplichten art. 6:230l onder c en d BW. Incassokosten- en administratiekostenbeding vernietigd vanwege oneerlijkheid.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11885533 \ CV EXPL 25-6204
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: Equilibristen gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
1 De verdere procedure
Bij tussenvonnis van 21 januari 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om bij akte toe te lichten op welke wijze zij bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten en om zich uit te laten over het in het tussenvonnis voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van een aantal bedingen in de algemene voorwaarden. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.
2 De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
Uit de toelichting van de eisende partij blijkt niet (voldoende) dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230l onder c en d BW heeft voldaan. De eisende partij stelt immers dat alle artikel 6:230l BW bedoelde informatie is opgenomen in het door de gedaagde partij getekende opdrachtformulier. Daarin ontbreekt echter enige informatie over de prijs van de diensten (als bedoeld in artikel 6:230l onder c BW) en over de termijn waarbinnen de eisende partij zich verbindt om deze diensten te verlenen (als bedoeld in artikel 6:230l onder d BW). De eisende partij heeft niet gesteld dat zij de gedaagde partij op een andere manier van deze informatie heeft voorzien. Voor deze schendingen zal een sanctie worden opgelegd.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 20% van de door de gedaagde partij oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De eisende partij heeft zich voor wat betreft het voorlopig oordeel over het incassokostenbeding in artikel VI, lid 4 en 5 van de algemene voorwaarden gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter ziet geen reden om daar nu anders over te denken en vernietigt daarom dit beding. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak). De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
Voor wat betreft het voorlopig oordeel over het administratiekostenbeding stelt de eisende partij zich op het standpunt dat zij altijd een vast en beperkt bedrag van € 10,- (kennelijk exclusief btw) aan administratiekosten hanteert.
Dit betoog slaagt niet. Dat de eisende partij, zoals zij stelt, nooit uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in de artikel 14 van de BOVAG-voorwaarden, doet aan de oneerlijkheid daarvan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het haar vrij had gestaan om af te wijken van het oneerlijke beding, bijvoorbeeld door in de huurovereenkomst op te nemen dat de administratiekosten altijd beperkt zullen worden tot een bepaald bedrag.
De kantonrechter ziet daarom en ook anderszins geen reden om nu anders over de oneerlijkheid van artikel 14 van de BOVAG-voorwaarden te denken en vernietigt dit beding. Dit betekent dat de gevorderde administratiekosten over de boetes zullen worden afgewezen (5 x € 12,10 = € 60,50).
Wat is toewijsbaar?
De sanctie voor het schenden van de informatieplichten wordt opgelegd over de contractuele afspraken en niet over de doorbelaste boetes. Wel worden de administratiekosten over de boetes afgewezen vanwege de oneerlijkheid van het administratiekostenbeding. Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 2.006,82 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 1.937,32 x 0.8 + € 517,46 – € 60,50).
De buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Conclusie en proceskosten
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze akte op te stellen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.006,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 119,40;
griffierecht € 514,00;
salaris gemachtigde € 217,00;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter