Belastingrecht

Wet WOZ en artikel 6:6 van de Awb – mondelinge uitspraak – de heffingsambtenaar heeft belanghebbende…

Rechtbank Noord-Nederland, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
AWB_LEE 26/359
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4516
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet WOZ en artikel 6:6 van de Awb – mondelinge uitspraak – de heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens termijnoverschrijding zonder haar een termijn te geven om aan te geven waarom zij te laat bezwaar had ingediend. Nu over de inhoudelijke kant (WOZ-geschil) geen eenduidigheid bestaat, verwijst de rechtbank de zaak terug naar de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/359


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Vlieland.

Procesverloop

1.1.

De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak aan [adres 1] op Vlieland per waardepeildatum 1 januari 2024 voor het belastingjaar 2025 vastgesteld. Hij heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-waarde bij uitspraak op bezwaar van 8 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2

De behandeling op de zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2026. Hieraan hebben [naam 1] en [naam 2] namens de heffingsambtenaar deelgenomen. Belanghebbende heeft de rechtbank vóór de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

1.3.

Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 54 aan belanghebbende vergoedt.

Gronden

2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar omdat zij de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) had overschreden. In beroep is hij bij zijn standpunt gebleven dat het bezwaar te laat is ingediend en dat het daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld om binnen een daartoe te stellen termijn aan te geven of zij een verschoonbare reden had voor de termijnoverschrijding. Dat had de heffingsambtenaar wel moeten doen, omdat in artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat een bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan de wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van een bezwaar of beroep is voldaan, “mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn”. Daarbij moet er volgens jurisprudentie van de Hoge Raad van 28 juni 2019 ook op gewezen worden dat het desbetreffende bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn wordt gereageerd op het verzoek tot herstel van het verzuim.

4. Dit betekent dat de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is de rechtbank verder niet duidelijk wat het standpunt van de heffingsambtenaar is over de argumenten waarmee belanghebbende de vastgestelde waarde van haar woning voor belastingjaar 2025 bestrijdt. De rechtbank wijst de zaak daarom terug naar de heffingsambtenaar.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden.

Deze uitspraak is op 6 oktober 2026 in het openbaar gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.

griffier

rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

ECLI:NL:HR:2019:1048, onder 2.3.2.