Belastingrecht

Parkeerbelasting, direct mondelinge uitspraak.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/1814
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6965
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Parkeerbelasting, direct mondelinge uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/1814 PARKBL


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 februari 2025 het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag parkeerbelasting) ongegrond verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Belanghebbende was bij de zitting aanwezig. De heffingsambtenaar was niet bij de zitting aanwezig en heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

2. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 11 december 2024 geparkeerd stond aan de Paul Windhausenweg in Breda. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting of met een parkeervergunning mag worden geparkeerd.

2.1.

Belanghebbende voert aan dat er wel parkeerbelasting is voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende een verklaring van zijn werkgever heeft overgelegd waaruit volgt dat aan belanghebbende een vergunning is verleend om te parkeren aan de hiervoor genoemde weg en dat deze vergunning sinds eind november 2024 geactiveerd en werkend is. De heffingsambtenaar – die niet op zitting is verschenen – heeft dit niet betwist.

2.2.

Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte opgelegd.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

3.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Nu van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een gemachtigde niet is gebleken bestaat er geen aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier op 28 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.