Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Mondelinge uitspraak. Verzoekster vraagt een verstrekkende…

Rechtbank Noord-Nederland, 12 februari 2026

Zaakgegevens

Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 februari 2026
Datum publicatie
11 maart 2026
Zaaknummer
LEE 26/335
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:744
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Mondelinge uitspraak. Verzoekster vraagt een verstrekkende voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/335


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

12 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[naam v.o.f. uit vestigingsplaats ] , verzoekster

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân,

het college

(gemachtigden: mr. E.F. van der Goot en mr. E.M. van der Molen).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de buiten behandelingstelling van de aanvraag van 12 augustus 2025 van verzoekster voor een alcoholwetvergunning.

1.1.

Bij besluit van 25 september 2025 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 januari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gelaten op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Hierbij heeft het college aangegeven dat met dit besluit het besluit van 25 september 2025 is vervangen. Daarnaast heeft het college aangegeven dat verzoekster zowel de financiering, de herkomst van het vermogen als de NAW-gegevens van alle vermogensverschaffers van de vennoten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Verzoekster is het met dit besluit niet eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college, bijgestaan door E. Westra en S.E. Reichardt.

1.3.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter gaat er in deze uitspraak van uit dat verzoekster procesbelang heeft en een spoedeisend belang bij haar verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster aangegeven dat zij in deze procedure wenst te bereiken dat het horecabedrijf gedurende de bezwaarprocedure wordt geacht in het bezit te zijn van de aangevraagde vergunning op grond van de Alcoholwet. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit een verstrekkende voorziening is die verzoekster vraagt.

5. Gelet op de stukken die verzoekster tot nog toe heeft overgelegd en die in het dossier zitten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat in de bezwaarfase de inhoudelijke behandeling van de buiten behandeling stelling van de aanvraag van verzoekster dient te worden besproken. Waarbij ook het bepaalde in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb aan bod dient te komen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegezegd dat zij aan verzoekster een overzichtslijst zal verstrekken met hierop alle documenten die zij nog van verzoekster nodig heeft.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026 door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.