Bestuursstrafrecht

Bestuurlijke boete voor het overtreden van de mestverwerkingsplicht uit de Meststoffenwet.

Rechtbank Noord-Nederland, 13 juni 2025

Zaakgegevens

Op 13 juni 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13 juni 2025
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
23-5146
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:5939
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bestuurlijke boete voor het overtreden van de mestverwerkingsplicht uit de Meststoffenwet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 23/5146


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.J.A. Steenbergen),

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een bestuurlijke boete voor het overtreden van de mestverwerkingsplicht uit de Meststoffenwet (de Msw).

1.1.

Met het besluit van 7 december 2022 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.168,10. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.

1.2.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (de NVWA) heeft gecontroleerd of eiseres aan de mestverwerkingsplicht over het jaar 2017 heeft voldaan. De bevindingen van deze controle heeft de NVWA neergelegd in een boeterapport van 26 september 2019 (114574).

2.1.

Op 18 augustus 2022 heeft de minister eiseres meegedeeld dat hij het voornemen heeft om aan haar twee bestuurlijke boetes van tezamen € 5.687,- op te leggen voor het overtreden van de mestverwerkingsplicht. Eiseres heeft op dit voornemen gereageerd met een zienswijze.

2.2.

Met het besluit van 7 december 2022 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.168,10 voor het niet (laten) verwerken van 219 kilogram fosfaat. De minister heeft de boete met 10 % gematigd, omdat een te lange termijn is verstreken tussen het boeterapport en het besluit waarmee de boete is opgelegd.

2.3.

In het bestreden besluit van 26 oktober 2023 is de minister bij dit besluit gebleven. Van belang daartoe is volgens de minister dat niet is gebleken dat eiseres 219 kilogram fosfaat heeft verwerkt op de wijze zoals is voorgeschreven in de Msw. Om die reden heeft eiseres volgens de minister niet voldaan aan haar mestverwerkingsplicht.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de oplegging van de bestuurlijke boete Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft eiseres de mestverwerkingsplicht overtreden?

5. Eiseres stelt dat zij heeft voldaan aan de mestverwerkingsplicht door het sluiten van een driepartijenovereenkomst (DPO). Eiseres licht toe dat zij, als landbouwer, een DPO heeft gesloten voor de verwerking van 1.500 kilogram fosfaat met [B.V. 1] (als bewerker) en [B.V. 2] (als verwerker). Deze DPO is volgens eiseres feitelijk nageleefd. Na het besluit van 18 augustus 2022 is echter gebleken dat de DPO niet op de juiste wijze stond geregistreerd bij de RvO, omdat de DPO niet mede is ondertekend namens [B.V. 1] Eiseres benadrukt dat dit enkel een formaliteit betreft. Zo is de DPO door [natuurlijke persoon] wel ondertekend namens eiseres, maar niet door de [B.V. 1] waarvan hij eveneens enig bestuurder is. Dit betreft volgens eiseres een kennelijke omissie die is hersteld zodra [natuurlijke persoon] daarmee bekend raakte. Daarmee is met terugwerkende kracht wel sprake van een geldige DPO.

5.1.

In beroep blijft de minister bij het standpunt dat eiseres niet heeft voldaan aan haar mestverwerkingsverplichting in 2017, omdat de DPO niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.

5.2.

De rechtbank overweegt dat artikel 33a, eerste lid, van de Msw bepaalt dat het een landbouwer verboden is op zijn bedrijf dierlijke meststoffen te produceren. Dit verbod is niet van toepassing op een landbouwer die een hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, minimaal gelijk aan een door de minister voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld percentage van het op zijn bedrijf geproduceerde bedrijfsoverschot:

laat verwerken. Onder verwerken wordt (onder meer) verstaan het sluiten van een overeenkomst met een andere landbouwer waarin is bepaald dat die andere landbouwer in zijn plaats uitvoering zal gegeven aan de voorwaarden (tweede lid en onder b) door middel van het laten verwerken. De Msw schrijft voor dat de mestovereenkomst (onder meer) uiterlijk in het kalenderjaar waarop de overeenkomst ziet schriftelijk op een duurzame gegevensdrager wordt aangegaan en door partijen wordt ondertekend.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan haar mestverwerkingsplicht, omdat geen sprake is van een geldige DPO. Tussen partijen is niet in geschil dat in 2017 op eiseres een mestverwerkingsplicht rustte van 219 kilogram fosfaat. Eiseres heeft voorts onderkend dat de DPO die bij de RvO stond geregistreerd niet door [B.V. 1] , een partij bij de DPO, is ondertekend. Nu deze ondertekening volgens de Msw uiterlijk dient plaats te vinden in het kalenderjaar waarop de overeenkomst ziet, kan in dit opzicht geen waarde worden gehecht aan de ondertekening die na het besluit tot boeteoplegging heeft plaatsgevonden.

5.4.

Het betoog van eiseres slaagt niet.

Oppervlakte landbouwgrond

6. Eiseres voert aan dat de minister uitgaat van een onjuiste totale oppervlakte van de landbouwgrond. Van belang is dat de minister de oppervlakte van de percelen 6, 18, 30 en 31 ten onrechte naar beneden heeft bijgesteld ten opzichte van de door eiseres gedane opgaven.

6.1.

De rechtbank overweegt dat de Msw bepaalt dat landbouwgrond grond is waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Landbouw staat in de Msw gedefinieerd als: akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden -, tuinbouw – daar onder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet.

Perceel 6

7. Ten aanzien van perceel 6 stelt eiseres dat niet in te zien valt dat sprake is van rommel en ruigte. Daarnaast is het rijspoort van tijdelijke aard. De minister heeft niet gemotiveerd om welke reden dit gedeelte het gehele jaar niet beschikbaar was.

7.1.

In het bestreden besluit heeft de minister de omvang van perceel 6 vastgesteld op 3,66 hectare. Dit is 0,12 hectare minder dan zoals door eiseres is opgegeven. Daartoe heeft de minister vastgesteld dat in de zuidoosthoek van perceel 6 sprake is van rommel en ruigte en dat dit gedeelte daarom niet kan worden aangemerkt als bouw- of grasland. Voor zover het een teeltvrije zone betreft wijst de minister op artikel 25 van het Uitvoeringsbesluit Msw. Verder licht de minister toe dat de afwijzing geen verband houdt met het rijspoor. Dit gedeelte van het perceel is wel meegenomen, terwijl dit niet had gemoeten. Daarop is in bezwaar echter niet terug gekomen. Ter onderbouwing nadere onderbouwing heeft de minister in beroep een in 2016 gedateerde luchtfoto overgelegd van het perceel.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de omvang van perceel 6 op goede gronden heeft vastgesteld. Uit de door de minister luchtfoto’s blijkt afdoende dat in de zuidoosthoek van perceel 6 sprake is van rommel en ruigte waardoor dit gedeelte van het perceel niet kan worden aangemerkt als bouw- of grasland in de zin van de Msw. Het betoog van eiseres kan daaraan niet afdoen.

Perceel 18

8. Ten aanzien van perceel 18 voert eiseres aan dat de sloot ten onrechte niet is meegerekend. Ook is de perceelsgrens ten onrechte enkele meters van de boomgrens ingetekend.

8.1.

In het bestreden besluit heeft de minister de omvang van perceel 18 vastgesteld op 1,87 hectare. Dit is 0,02 hectare kleiner dan zoals door eiseres is opgegeven. Van belang is dat eiseres ten onrechte een sloot heeft meegenomen in haar opgave.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de sloot op perceel 18 geen beteelde landbouwgrond betreft in de zin van de Msw. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Perceel 30

9. Ten aanzien van perceel 30 voert eiseres aan dat het niet meegenomen gedeelte van het perceel is gebruikt ten behoeve van het landbouwbedrijf. Dit gedeelte van het perceel moet daarom worden meegenomen bij de berekening van de oppervlakte van de landbouwgrond.

9.1.

In het bestreden besluit heeft de minister de omvang van perceel 30 vastgesteld op 3,19 hectare. Dit is 0,03 hectare minder dan zoals door eiseres is opgegeven. Redengevend daarvoor is dat eiseres het perceel heeft opgegeven ten behoeve van de productie van snijmais. Het afgewezen gedeelte maakt volgens de minister geen deel uit van het maisperceel, maar wel van het erf of de tuin. Ter onderbouwing wijst de minister op een luchtfoto.

9.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister onder verwijzing naar de luchtfoto’s terecht heeft vastgesteld dat de 0,03 hectare van het perceel die eiseres heeft opgegeven geen landbouwgrond betreft. De enkele stelling dat dit gedeelte van het perceel wordt gebruikt ten behoeve van het landbouwbedrijf is niet voldoende om van iets anders uit te gaan. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Perceel 31

10. Ten aanzien perceel 31 voert eiseres aan dat er geen afscheiding staat en dat het perceel geen onderdeel uitmaakt van de tuin of het erf. Ook staat het zwembad niet gedurende het hele jaar op het perceel.

10.1.

In het bestreden besluit heeft de minister de omvang van perceel 31 vastgesteld op 0,99 hectare. Dit is 0,01 hectare kleiner dan zoals door eiseres is opgegeven. Van belang is dat aan de westzijde van perceel op de locatie van het zwembad sprake is van een tuin en erf. Dit volgt aldus de minister ook uit de afrastering. Ter onderbouwing wijst de minister op een luchtfoto.

10.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister onder verwijzing naar de luchtfoto’s terecht heeft vastgesteld dat op de 0,01 hectare die eiseres heeft opgegeven een zwembad en een afrastering waarneembaar zijn. Het betoog van eiseres kan daaraan niet afdoen. Gelet hierop is geen sprake van landbouwgrond in de zin van de Msw. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Het Boetebeleid

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister de boete dient te matigen met toepassing van het Boetebeleid, omdat het ontbreken van de handtekening enkel een administratieve omissie is. Volgens eiseres is voldoende bewijs is aangedragen om aan te tonen dat feitelijk is voldaan aan de mestverwerkingsplicht. Zij wijst daartoe op de verklaringen van [B.V. 1] en [B.V. 2] Ook wijst eiseres erop dat de afvoer van mest via de pijpleiding door de minister in het kader van de gebruiksnormen berekening niet wordt betwist.

11.1.

Volgens de minister bestaat geen aanleiding om de boete te matigen met toepassing van het boetebeleid. Dit kan volgens de minister enkel indien aan één van de administratieve voorwaarden van de DPO niet is voldaan en met objectief en verifieerbaar bewijs is aangetoond dat de 219 kilogram fosfaat feitelijk wel is geleverd of verwerkt.

11.1.1.

Daartoe acht de minister van belang dat uit de administratie VDM van eiseres weliswaar blijkt dat [B.V. 1] meststoffen heeft afgevoerd in het kader van export naar Duitsland en dat deze vrachten zijn vervoerd door [B.V. 2] Maar dat niet kan worden vastgesteld of deze afvoer heeft plaatsgevonden ter uitvoering van de verwerkingsplicht en op grond van de concept DPO. Volgens de minister is daarmee niet gebleken of en op welke wijze [B.V. 2] 1.500 kilogram fosfaat heeft verwerkt. De enkele verklaring van partijen dat dit is gebeurd, is daartoe onvoldoende.

11.1.2.

Verder wijst de minister erop dat ten onrechte geen administratie VDM is bijgehouden van de afvoer van rundveedrijfmest (mestcode 14) van eiseres naar [B.V. 1] door middel van een pijpleiding. Dat in het kader van de gebruiksnormen berekening wel is gerekend met een afvoer van 8.690 ton via de pijpleiding doet er niet aan af dat eiseres verplicht was van deze afvoer een deugdelijke administratie bij te houden.

11.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat de concept DPO feitelijk door partijen is nageleefd. De enkele verklaringen van bij de concept DPO betrokken partijen zijn daartoe niet voldoende. Dit betekent dat de minister op goede gronden aanleiding heeft gezien om de boete niet te matigen met toepassing van bijlage 6 bij het boetebeleid.

11.3.

Het betoog van eiseres slaagt niet.

Evenredigheid

12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat aanleiding bestaat om de bestuurlijke boete te matigen met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Waarbij dient te worden meegewogen dat de boete is opgelegd omdat één van de handtekeningen ontbrak en dat deze handtekening afkomstig was van één van de partijen die de overeenkomst reeds had ondertekend. Ook blijkt uit de verklaringen dat de mest conform de DPO is verwerkt en is de ontbrekende handtekening direct op het ontdekken daarvan alsnog gezet.

12.1.

De minister brengt in beroep naar voren dat volgens hem geen grond bestaat voor een verdergaande matiging van de boete. Volgens de minister is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat het boetetarief uit de Msw in het geval van eiser onevenredig is. Ter onderbouwing wijst de minister op een uitspraak van het CBb. Van verminderde verwijtbaarheid is volgens de minister geen sprake omdat eiseres kon weten dat de DPO niet op juiste wijze stond geregistreerd. Daartoe is van belang dat na elke ondertekening een bevestigingse-mail wordt verstuurd. Voorts is volgens de minister ook niet gebleken dat de feitelijk wel 1.500 kilogram fosfaat is verwerkt.

12.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot matiging van de boete los bezien van het tijdsverloop. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken dat de mestverwerkingsplicht feitelijk wel is nageleefd en daarmee geen grond bestaat voor het aannemen van een verminderde verwijtbaarheid. Het betoog slaagt niet.

Matiging vanwege strijd met artikel 5:51 van de Awb

13. In het bestreden besluit heeft de minister met toepassing van het Boetebeleid van de RvO de bestuurlijke boete gematigd met 10 % vanwege het tijdsverloop tussen het NVWA-rapport van 24 september 2019 en het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete van 7 december 2022.

13.1.

Eiseres betoogt dat de boete verdergaand dient te worden gematigd als gevolg van het tijdsverloop tussen de overtreding en het besluit tot oplegging van de boete. Eiseres voert aan dat zij als gevolg van dit tijdsverloop door de minister is belemmerd in haar bewijspositie. Door het tijdsverloop ging eiseres ervanuit dat geen boete meer zou worden opgelegd. Volgens eiseres is het onderzoek van het NVWA rommelig verlopen en is gedurende dit onderzoek onvoldoende gelegenheid geboden aan eiseres om correcties door te voeren.

13.2.

De rechtbank overweegt dat artikel 5:51, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien van de overtreding een boeterapport is opgemaakt, het bestuursorgaan binnen dertien weken na dagtekening een besluit moet nemen over het opleggen van een bestuurlijke boete. In het geval van eiseres zijn drie jaar en drie maanden verstreken tussen de datering van het boeterapport en het besluit tot boeteoplegging. Hiermee is de voornoemde termijn uit de Awb met ongeveer drie jaar (156 weken) overschreden. Niet gebleken is dat de minister in deze periode aan eiseres mededelingen heeft gedaan over het verdere verloop van de procedure. De minister heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat niet bekend is om welke reden de zaak op de plank is blijven liggen.

13.2.1.

Voornoemde dertien weken-termijn is een termijn van orde. Dit betekent dat de enkele overschrijding van deze termijn geen consequenties heeft voor de bevoegdheid tot boeteoplegging. Daar komt bij dat uit artikel 34, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet volgt dat eiseres verplicht was haar administratie en de daarop betrekking hebbende bewijsstukken vijf jaren te bewaren. Deze periode was ook ten tijde van het bestreden besluit nog niet verstreken. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de minister eiseres verwijtbaar in een verminderde bewijspositie heeft gebracht door het tijdsverloop. Ook bepaalt artikel 5:45, eerste lid, van de Awb dat de bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. Van het verstrijken van deze termijn is in het geval van eiseres geen sprake.

13.3.

De rechtbank concludeert dat de overschrijding van de dertien weken-termijn in het geval van eiser met ongeveer 156 weken zeer ruim en onwenselijk lang is. Daarbij slaat de rechtbank mede acht op het gegeven dat niet gebleken is dat de minister aan eiseres enige mededeling heeft gedaan over het verloop van de procedure gedurende het verloop van de overschrijding van de dertien weken-termijn. Wel is de overschrijding van de dertien weken-termijn, naar het oordeel van de rechtbank, reeds voldoende verdisconteert in de hoogte van de boete doordat de minister in het bestreden besluit op deze grond de boete met 10 % heeft gematigd. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de boete op deze grond in verdergaande mate te matigen.

Overschrijding van de redelijke termijn

14. Ten slotte voert eiseres aan dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Volgens eiseres geeft dit aanleiding de bestuurlijke boete verdergaand te matigen.

14.1.

In bestraffende zaken geldt dat de redelijke termijn is overschreden als niet binnen twee jaar, nadat de termijn is aangevangen, door de rechtbank uitspraak is gedaan. Deze termijn is onderverdeeld in een half jaar voor de fase tot en met bezwaar en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar een procedure inzake een bestraffende sanctie in gang wordt gezet.

14.2.

Dit betekent dat de redelijke termijn is aangevangen op 18 augustus 2022, de dag waarop de minister aan eiseres heeft medegedeeld dat hij voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen vanwege een overtreding van de mestverwerkingsplicht uit de Msw. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar daardoor met tien maanden overschreden. In deze overschrijding ziet de rechtbank aanleiding de boete met

5% te matigen in aanvulling op de voornoemde matiging van 10 % die de minister reeds heeft toegepast in het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor de procedure. Dit heeft tot gevolg dat de bestuurlijke boete in beroep met 5 % wordt gematigd.

15.1.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 2059,70 (€ 2.168,10 x 0,95).

15.2.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Omdat het slagen van het beroep enkel het gevolg is van de overschrijding van de redelijke termijn krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van € 453,50. Dit betreft 1 punt voor het ter zitting indienen van het verzoek om schadevergoeding. De overschrijding van de redelijke termijn is deels toe te rekenen aan de minister en deels aan de rechter. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid veroordeelt de rechtbank de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ieder voor de helft in de proceskosten die samenhangen met de overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de hoogte van de boete is bepaald;

- bepaalt dat het bedrag van de boete aan eiseres wordt vastgesteld op € 2059,70;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie artikel 33a, eerste lid, van de Msw. Zo bepaalt artikel 33a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Msw. Zie artikel 33a, derde lid, aanhef en onder c, van de Msw. Zie artikel 33b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Msw. Zie artikel 1, eerste lid en onder h, van de Msw. Zie bijlage 6 bij het Boetebeleid Meststoffenwet RVO. Zie de uitspraak van het CBb van 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:2. Zie de uitspraak van de CBb van 29 november 2024, ECLI:NL:CBB:2024:744. Zie de uitspraak van de CBb van 24 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:454. Zie de uitspraak van de CBb van 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:780.