Socialezekerheidsrecht

BNT. Bbz 2004. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een aanvraag heeft ingediend. Kennelijk…

Rechtbank Noord-Nederland, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
LEE 26/3025
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3929
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT. Bbz 2004. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een aanvraag heeft ingediend. Kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/3025


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen


[naam], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Meppel, het college

(gemachtigde: D. Smit).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 16 januari 2026.

1.1.

Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om in deze procedure griffierecht te betalen.

1.2.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat onder meer in artikel 6:12 van de Awb.

2.1.

Eiser stelt dat hij op 16 januari 2026 een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) heeft aangevraagd. Het college heeft dit gemotiveerd betwist. Het college is onbekend met een aanvraag van die datum en plaatst vraagtekens bij de door verzoeker overgelegde ontvangstbevestiging. De rechtbank volgt het college en overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 16 januari 2026 een Bbz-uitkering heeft aangevraagd.

2.2.

Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.